I shall keep singing! - Emily Dickinson
Inleiding bij, plus vertalingen van zes gedichten van Emily Dickinson (1830-1886) in het gelijknamige koorwerk (1988) van componist Wim Dirriwachter (1937), uitg. Donemus, Amsterdam. Inleiding en vertalingen werden geschreven op verzoek van, en in nauwe samenspraak met Dirriwachter terwijl hij aan het componeren was. De cyclus ging in december 1988 in première in De Oosterpoort in Groningen.

meer over / more about Emily Dickinson

I shall keep singing! De gedichten

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) werd geboren in Amherst (Mass.), een klein dorp in New England. Het was een milieu, dat aan de ene kant gekenmerkt werd door een puriteins calvinisme, en aan de andere kant door een hoog ontwikkeld intellectueel en cultureel leven. In het sociale leven van het dorp speelde Dickinson's vader, jurist zoals haar grootvader eerder en haar broer later, een leidende rol. Dickinson koesterde een grote liefde, bewondering en huiverachtig respect jegens hem. In het huis van haar familie, waar zij opgroeide, heeft ze haar hele leven gewoond; dáár ook is ze gestorven. Ze was zeer gehecht aan dat teruggetrokken leven in de kring van haar zus, haar broer en schoonzus, en een enkele goede vriendin. Bij haar tijdgenoten stond ze bekend als mensenschuw: ze ging de laatste dertig jaar van haar leven gekleed in het wit; bezoekers ontving ze slechts zelden - beroemd is de anekdote, dat zij met hen converseerde via de trap: zijzelf zal boven op de overloop, haar bezoeker beneden in de hal. De redenen voor dit zelfgekozen isolement laten zich slechts raden; zo is er gesuggereerd, dat ze leed aan een zeldzame nierkwaal. Daar is bovendien het gegeven van een heftige verliefdheid, rond 1860, op een niet nader ge´dentificeerde man, die in drie uit die tijd daterende liefdesbrieven aangesproken wordt met 'Master'. Hij lijkt ook aanwezig in de vele honderden gedichten, die Dickinson in die jaren schreef, het leeuwendeel uit een oeuvre van in totaal 1775  .

In die jaren begon Dickinson te corresponderen met Thomas Wentworth Higginson (1823-1911), een dominee die zich ontwikkelde tot literair criticus. In haar eerste brief van 15 april 1862, waarin ze vier gedichten stuurde, vroeg ze hem "...wether my verses breathe at all". Higginson herkende haar talent, maar waarschuwde haar voor al te grote eigenzinnigheid. Hoewel ze haar eigen weg bleef gaan, heeft ze hem haar leven lang als mentor beschouwd. Van al haar gedichten werden er tijdens haar leven slechts zes gepubliceerd: in 1864 werden ze anoniem afgedrukt in het lokale weekblad 'Springfield Republican', in een door hoofdredacteur Samuel Bowles (1826-1878), een vriend van de familie, 'verbeterde' versie. Evenals Higginson vond Bowles haar stijl 'slordig' en 'te eigenzinnig', zowel wat betreft de 'houterig' geachte ritmeschema's, het ongewone gebruik van hoofdletters, alsook de opvallende interpunctie, waarbij gedachtenstreepjes normale punten en komma's vervangen. Dickinson werd zich gaandeweg steeds meer bewust van de kloof tussen haar en haar publiek; ze heeft zich dan ook later steeds tegen verdere publikatie, en daarmee tegen redactionele ingrepen op haar gedichten verzet.

De veronderstelde chaos van de gedichten is echter maar schijn. De tijdgenoten, gewend als ze waren aan de eindeloos voortdenderende rijmelarijen van de negentiende eeuw, hebben daardoor niet herkend, dat Dickinson haar gedichten wel degelijk zorgvuldig structureerde. Uitgangspunt waren vaak de schema's van de psalmberijmingen uit de bundels, die in New England in gebruik waren. Dickinson gebruikt de structuur van ritme en rijm echter niet als een strak keurslijf, maar als een leidraad die ruimte laat voor kleine variaties die, evenals de hoofdletters en de gedachtenstreepjes, monotonie vermijden en op subtiele wijze accenten leggen in de tekst, zoals dat ook in spreektaal gebeurt.

Een goed voorbeeld daarvan is het late gedicht 'One Joy of so much anguish' (1420). De cadans, die in de eerste twee regels wordt opgezet, stokt al meteen in de derde: daardoor komt alle nadruk op het kernwoord 'Despair' (wanhoop). De eerste vier regels samen vormen twee op elkaar aansluitende zinnen, afgesloten door een gedachtenstreepje - aan de lezer te bepalen, of dat een punt (afsluiting), komma (onderbreking) of puntkomma (langere onderbreking) moet zijn. In de laatste acht regels ontvouwt zich onontkoombaar één grootse gedachte, waarbij de lezer geen tijd krijgt om adem te halen; zijn stem valt pas automatisch stil bij het laatste beeld - het gedachtenstreepje lijkt hier de wijdsheid van dat onverwachte panorama te benadrukken. Het bij Dickinson veel voorkomende, aan de Psalmen ontleende rijmschema x-a-y-a is ook in dit geval aanwezig, zij het bijna geheel verscholen achter onvolkomen rijmparen als 'for me'/'iniquity'; de reeks 'Day'/'Melody'/('inquiry' als extra steunpunt)/ 'reply'/'Immediately' geeft nog eens aan, dat we hier me één zin te maken hebben! Strikt volrijm wordt vermeden: dat zou te dreunend werken. De wisselwerking tussen deze vorm, en beeldcontrasten als 'folterend Genot' en 'Dolken Melodie' levert al met al een zeer indringend gedicht op, karakteristiek voor Dickinson's persoonlijke, en in wezen al moderne stijl.

Dickinson's gedichten laten zich door hun zorgvuldig geconstrueerde, ingehouden structuur, in combinatie met vaak impliciete en vaak zeer persoonlijke beeldspraken over de nietigheid van de mens tegenover de mysterievolle wijdsheid van het leven en de goddelijke natuur, slechts met moeite omzetten in het Nederlands. Onze taal is nu eenmaal van zichzelf minder bondig dan het Engels. Vertalingen in het verleden resulteerden bijvoorbeeld al te vaak in regels met te veel lettergrepen, waardoor het lapidaire karakter van het origineel verloren gaat. Daarentegen vormde de wil om zo dicht mogelijk bij de ritme- en rijmschema's en de beeldtaal van Dickinson te blijven juist een uitgangspunt voor de huidige proeven van vertaling.

© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 881100

Reageren op deze tekst? Stuur een mail. 

meer over / more about Emily Dickinson