Sigalit Landau: dakloze, terrorist. Witte de With Rotterdam
verschenen in: Archis (1996) 5, pp 4-5; naar aanleiding van Landau's solo-tentoonstelling 'Voorwerk 5' (curator: Bartomeo Mari) in Witte de With Centre for Contemporary Art in Rotterdam (april-mei 1996)
Veertien opengekrabde buitendeuren achter elkaar, met op de vloer ernaast twee metalen, hark-achtige klauwen; een zwemmer die te pletter slaat tegen een witte muur, waarop bloed spettert; een gat geslagen dwars door muurwerk heen: met de installatie, die ze maakte als aandeel aan de presentatie Voorwerk 5 in Witte de With in Rotterdam opent de Israëlische kunstenares Sigalit Landau (1969) de aanval op de klinisch witte ruimten, in plaats van gedwee zich daarin te voegen. In eigen land geldt Landau als toonaangevend. In haar werk zoekt ze naar 'plek', naar ruimte om te kunnen 'zijn'.
Het werk 'Wounded Territory and Life under a Stone: Computer Mouse-pads, Fungus in Cage and Mackintosh Soap' (1995, collectie kunstenaar) maakte eerder deel uit van een grotere installatie in het Israël Museum in Jeruzalem, een schrijn van Joodse cultuur en identiteit. Juist dáár stelde Landau het Israëlisch-Palestijnse conflict aan de orde. Uitgangspunt was het rotsblok onder de gouden koepel van de 'Dome of the Rock' op de Tempelberg: in de Joodse traditie de steen waarop Abraham zijn zoon Izaak zou offeren, in de Islamitische traditie de steen van waaraf Mohammed de hemel bestegen heeft. 'Laten we ophouden er oorlog om te voeren, ik geef U een alternatieve steen' - dat was Landau's subversieve voorstel aan het Israel Museum. Ze reconstrueerde de verborgen wereld ònder de Steen: een driedimensionaal 'landschap' van aangevreten computer mouse-pads, waarin uitgespaard de contour van de omstreden Steen; een in plastic verpakte schimmelcultuur verbeeldde het verborgen leven daaronder. Daarboven hing een wakend 'oog': een stuk carrosserie met daarin een gat van het soort dat ontstaat als je een steen tegen een auto gooit. Bezoekers werden uitgedaagd kiezelstenen uit de beeldentuin van het museum naar dat oog te gooien; deze vielen vervolgens op de reconstructie van de Steen. Werd de bezoeker David versus Goliath? Of stenengooier uit de Intifadah? Een video toonde hoe Palestijnse Bedoeïenen - tentnomaden die niet willen settelen - zich in leven houden door te scheumen in afval dat per vuilniswagen vanuit Israël in hun woongebied gedumpt wordt. Ook Landau zèlf was te zien, binnenin een huisgrote vuilniscontainer - het tijdelijk atelier dat ze zich georganiseerd had waar het Israel Museum verzuimd had haar een werkruimte ter beschikking te stellen. Ook rolde ze, gehuld in een pak van vuilniszakken, als afval door de sculpturentuin naar beneden. Dwars door deze beelden fragmenten van een gesprek met een conservator van het museum, die zich teweerstelt tegen Landau's voorstel, schimmels het museum binnen te brengen: 'schimmels zijn een levensvorm, die andere leven vernietigt'; 'schimmels zijn in principe overal en kunnen overal groeien, mits de omstandigheden gunstig zijn; het museum doet zijn best om zulke omstandigheden juist niet te laten ontstaan'; 'schimmels mogen hier enkel binnenkomen op voorwaarde dat ze in plastic geseald worden'; etcetera. Landau laat niet alleen de schoonheid zien van wat als viezigheid beschouwd wordt, maar daagt ermee ook het museum-als-gesloten-systeem uit. Daarbij kan het museum begrepen worden als metafoor van de staat, wiens identiteit het herbergt. Voor de goede verstaander in Israël moet dit een shockerend en verontrustend, want meervoudig interpretabel werk zijn geweest. Hier in Rotterdam, los van zijn ideologische context, heeft het mijns inziens veel van zijn impact verloren.
Daarentegen blijven 'Compressed Household', 'Many scratched Doors' en 'Door Tent with Threshold Creature' ook hier overeind. Ze zijn verwant aan een installatie uit 1994 in een verlaten busstation in Tel Aviv, waar Landau een schuilplaats van illegale Palestijnse gastarbeiders nabouwde, waarin ze gedurende de tentoonstelling waarvan de installatie deel uitmaakte ook zelf woonde - uit Jeruzalem afkomstig had ze in Tel Aviv immers geen eigen plek. De 'Door Tent' (1994-1996; collectie Amos Natan, Jeruzalem/Amir Weinberg, Tel Aviv) is een archetypisch tentachtig bouwsel met een dak van twee metalen deurhelften over een steigerbalk als nok. Binnenin de rotzooi van een zwerver. Een van de dakhelften is voorzien van lensjes van deur-spionnen, waarmee je naar buiten zou kunnen kijken. Juist dáár lijkt van buitenaf met grof geweld op het metaal ingebeukt. Geweld ook in de 'figuur op de drempel': een uitgemergelde gestalte van grauw papier-maché, haaks geknakt ter aarde gestort, die gewichten van koekoeksklokken schijt. In haar handen - merkwaardig wit, en heel naturalistisch (afgietsels van de eigen handen?) - een geopend zakmes. Iedere poging tot verdediging lijkt bij voorbaat verloren.
Bepalend voor Landau's artistieke mythologie is het gebruik van afval, letterlijk 'objets trouvés'; consumptiegoederen die versleten zijn, viesgeworden en weggegooid. Ze worden niet geänestheseerd en geësthetiseerd, maar ingepast in de leefsituatie van daklozen. Zwervend onderweg zijn betekent een bestaan waarin comfort gereduceerd is tot het uiterste minimum. Ieder onderdak, iedere plek om te slapen is improviseren, onderduiken, je verstoppen en schuilen. In stilte. De terrorist daarentegen treedt, hoewel evenzeer vanuit het geniep, met geweld en veel kabaal op en probeert binnen te dringen op plaatsen waaruit hij geweerd wordt. Landau's eigen positie beschrijven als die van de buitenstaander, de 'andere', is kijken vanuit het centrum; haar kracht ligt juist in een zelfbewuste positie in de periferie. Ontworteld, levend in de marge van de gevestigde orde en daarom nauwelijks of niet geduld, maken daklozen en terroristen pijnlijk duidelijk, hoe verkrampt en kwetsbaar het maatschappelijk gevoel van welbevinden eigenlijk is.
Twee werken zijn speciaal voor Rotterdam gemaakt. Eén is een labyrint van transparant glimmend huishoudfolie dat op ooghoogte in lange horizontale banen om wanden en kolommen slingert en de ruimte opnieuw indeelt. Door dat folie vastgeklemd zit ergens een klont rottende en schimmelende materie. Wie bukkend de omsloten ruimte binnendringt vindt een collectie 'thermal paper drawings': faxpapier wordt zwart onder invloed van warmte. Zo is er een 'roll of thermal paper put inside my body' (een rol faxpapier van vijf centimeter doorsnee, waarvan één uiteinde over ongeveer tien centimeter verkleurd is), 'urine on thermal paper' (spetters), 'a plate of food on thermal paper' (een wazige cirkel) en 'thermal paper left behind a defrosting refrigerator' (vlekken). Allemaal pogingen, de vluchtige warmte-energie van verborgen plekken vast te leggen.
Sigalit Landau. 'Sandblasting Lighthouse', Witte de With Rotterdam
align="right">© foto: Bob Goedewaagen, Rotterdam
'Sandblasting Lighthouse' (1996, collectie kunstenaar) lijkt een schip met een romp van B2-blokken en als mast een bouwstempel geklemd tussen vloer en plafond. Daarmee is het schip niet alleen loodzwaar, maar staat het ook nog eens muur-vast. Het is geladen met versplinterd hout, oude kranten en afval; de enige opvarende is een figurine van papier-maché. Aan de mast driehoekige 'zeilen' van plexiglas, waaruit grote happen weggeslagen zijn; een van die zeilen bevat een compartiment met een elektrisch verwarmingselement, waarin mieren rondkruipen. Halverwege de mast, op ooghoogte ongeveer, draait een zandstraalpistool rond - gelukkig buiten werking. Beneden in het schip een zachtsissende miniatuur zandfontein, mysterievol als een brandend braambos. Dit geteisterde schip vaart niet, het ligt vast aan een ketting die verdwijnt in de vloer. Wie aan die ketting trekt ziet op een monitor in tegengestelde richting een anker bewegen. In de witte wand van de zaal gaapt een morsig gat. Daardoorheen wordt een tweede, smoezelig geel gesausd wandvlak zichtbaar, met een morsige plint. Ook blijkt onder de betonvloer waarop je staat een oude linoleumvloer aanwezig die op zijn beurt doorgezaagd is, zodat duidelijk wordt dat ook déze vloer hol was. De ruimte die wij als bezoekers kennen blijkt een doos-in-een-doos. Landau legt achter en onder de perfecte strakheid van de tentoonstellingszalen de ingewanden van het gebouw bloot, een verborgen wereld van ouwige groezeligheid. In deze geheime tussenruimte legt Landau haar schip voor anker. Dáár ligt het vast, en zeker.
Tijdens een ééndaagse workshop aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten liet Landau studenten Interieurarchitectuur in het academiegebouw (een bankkolos uit de jaren vijftig) speuren naar ruimten die zouden kunnen dienen als schuilplek voor tenminste één week. Een gebouw als dit blijkt, àchter wat je normaal als 'het interieur' ervaart, een heel netwerk van onvermoede ruimten te bevatten: kruipruimten en holle plafonds, leidingschachten en kabelgoten, liftkokers en spleten om daar bij te komen, etc. Deze plekken zijn vaak alleen op bijzondere manieren toegankelijk - kruipend, klimmend, schuifelend, hurkend - en van een totaal andere maat en materialiteit dan gebruikelijk: je kunt er meestal niet rechtop staan, en in plaats van afgewerkt en geruststellend zijn ze rauw en hard. Ze zijn dan ook nauwelijks geschikt om in te verblijven, behalve wellicht als het echt moet: dan bieden ze zwervers, onderduikers, terroristen en andere buitenstaanders een schuilplaats.
Landau zoekt deze plekken-op-het-scherpst-van-de-snede, deze ruimte-achter-de-marge, en dringt door tot waar ze eigenlijk niet geduld wordt. Haar werk gaat daarmee ook over noties als 'binnen' en 'buiten', 'wij' en 'zij', 'het bekende' en 'het andere', 'toelaatbaar' en 'verboden'. Zij toont grenzen en daagt ons uit, daarover na te denken.
© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 960414
Reageren op deze tekst? Stuur een mail.
Meer informatie over Sigalit Landau is te vinden op deze site.