Toine Horvers: geluid en ruimte
verschenen in: Archis (1994) 9, pp 6-7
In Utrecht werd onlangs de manifestatie 'Traject' afgesloten: installaties van vijftien beeldend kunstenaars in middeleeuwse werfkelders langs de Oude Gracht. Tijdens een evaluatie werd de vraag gesteld, in hoeverre de verhouding tussen het visuele en het conceptuele aspect van het kunstwerk de toegankelijkheid en aanspreekbaarheid ervan benvloedt; hoe groot is het gevaar, dat het alleen nog rationeel te benaderen is? De installatie van Toine Horvers in Disco Fellini stelde een en ander in een verrassend licht.
Wat was er te zien? In het donker van de kelder stonden vier muziekstandaards, achter elkaar langs de lengte-as van het gewelf; in plaats van een lezenaar-met-bladmuziek was steeds een luidsprekertje gemonteerd. Eronder een stippellijn van vier rode lichtjes: vier walkmen, spelend. Eenmaal aan het duister gewend werd men op de vloer nòg iets gewaar: een grillig bewegende vlek. Dit bleek licht van een volgspot buiten, hoog aan een tegenoverliggende gevel, dat ketste op het water van de gracht; het werd via een spiegel bij de ingang binnen geleid en vormde daar de virtuele pendant van het water buiten.
Even ongrijpbaar was het geluid uit de speakertjes. Wie aandachtig luisterde hoorde hoe het, ketsend tegen de wanden, door de hele ruimte wolkte. Afmetingen en materialiteit daarvan waren nauwelijks zíchtbaar, maar werden zo hóórbaar gemaakt - op zich al een betoverende ervaring. Daarbij bleek het geluid niet eenvormig massief, maar opgebouwd uit verschillende lagen. Metalig klinkende stemmen in vier talen: Nederlands, maar ook Duits, Frans en Swytzerdeutsch. Wie de kluwen ontwarde hoorde reeksen plaatsnamen en getallen: waterhoogten blijkbaar, van plekken in het stroomgebied van de Rijn. Het zijn gegevens die via automatische telefoonbeantwoorders opgevraagd kunnen worden en die iedere dag opnieuw in de installatie werden ingebracht. Wie die link eenmaal gelegd had en zich ook realiseerde, dat de Oude Gracht een oude Rijn-arm is - niet voor niets heette Utrecht vroeger 'Traiectum ad Rhenum' - haalde het wezen van deze sculptuur boven water. Niet alleen wordt de ruimtelijkheid van de kelder voelbaar gemaakt; ook wordt die verbonden met de geografische ruimte van een half continent. Ruimte-kunst.
Het ging daarbij niet om het concreet-materiële: de muziekstandaards en walkmen, hoe zorgvuldig-formeel ook geordend, waren louter dragers van het geluid en zèlf niet van belang. Horvers werkte met flarden licht en geluid; dáármee moest de toeschouwer, of liever: de toehoorder, het doen.
In Utrecht was tenminste nog íets te zien. De installatie 'Clouds 7', die Horvers in 1993 aanbracht in het nieuwe VROM-gebouw van Hoogstad, laat het traditioneel visuele aspect van de 'beeldende' kunst geheel achterwege. In een liftschacht langs 15 verdiepingen is een serie luidsprekers gemonteerd; daardoor klinken clusters van tevoren opgenomen zangstemmen. Toonhoogte, dichtheid en volume van die klankclusters, en ook de plaats wáár ze klinken worden bepaald door een computer, die in 'real time' reageert op wisselingen in de weersomstandigheden. Het geluid, dat tijdens de onzichtbare 'reis' in de liftkooi hoorbaar is, klinkt steeds anders. Daardoor kan het niet dienen om te bepalen, wáár precies je bent. Wèl hoor je dat je geluiden boven of onder je nadert, dan wel dat je je er vanáf beweegt. Zo wordt de verticale verplaatsing door de ruimte ervaarbaar. Ook is het de bedoeling op deze manier een link te leggen met zon, regen en wind, die overal elders in het transparant-verglaasde gebouw juist gewoon zichtbaar zijn, en zo de fundamentele beslotenheid van de liftkooi weer open te breken.
Horvers noemt zijn werken 'geluidssculptuur'. Van origine performance-kunstenaar kiest hij al jaren consequent voor immateriële en vluchtige media als materiaal voor installaties. Hiermee staat hij haaks op de veel meer materieel ingestelde kunst van het afgelopen decennium. Eerder lijkt hij aan te sluiten op de minimalistische en conceptualistische tendensen van de jaren zestig en zeventig. Toch is er een groot verschil. Toen ging het erom, het kunstwerk zoveel mogelijk te ontdoen van zijn concreet-materiële verschijningsvorm en het accent te verleggen van de fysiek-visuele ervaring naar het rationele begrijpen. Horvers blijft gericht op de fysieke ervaring, maar hij wil andere wegen banen dan de puur visuele. Dat was ook het thema van de manifestatie 'Les Immatériaux', die Jean-François Lyotard in 1985 organiseerde in het Centre Georges Pompidou in Parijs. Daar werden niet alleen geluid, maar ook geur, temperatuur, textuur, beweging en zelfs herinnering geëxploreerd als nieuwe media voor de kunst - materie zelf had daar afgedaan. Steeds vaker blijkt geluid ingezet als ruimtevormend medium. Zo installeerde Max Neuhaus tijdens de Documenta van 1992 een nauwelijks hoorbare drieklank in een open trappenhuis. Momenteel is rond de Arc de Triomphe in Parijs een installatie van Bill Fontana hoorbaar: via speakers klinken geluiden van elders in de stad en van uithoeken van het land.
Horvers werkte aanvankelijk met louter 'abstract' geluid: tromgeroffel, de pure klank van de menselijke stem. Deze werken moesten gehoord én gezien worden. Daarbij was het visuele - zowel voor de uitvoerenden als voor de omstanders - kader en maat voor het auditieve: zo werd bijvoorbeeld de intensiteit van het geluid schattenderwijs gerelateerd aan de hoeveelheid daglicht of de positie in de ruimte. Dat leverde vaak hermetische werken op met soms uitgesproken theatrale aspecten. Steeds ging het er in deze 'sculpturen' om, ruimte en tijdsduur te articuleren; vaak ook werden beide gecombineerd om expliciet afstand ervaarbaar te maken. Tegenwoordig gebruikt Horvers, zoals in Utrecht, óók 'figuratief' geluid. Op zichzelf, zonder enige visuele ondersteuning blijkt het uiterst effectief. Recentelijk komt steeds duidelijker inhoudelijkheid aan de orde. Hijzelf zegt daarover:
"In het ruimtelijk werk voel ik mij steeds minder aangetrokken tot concreet/fysieke vormaspecten binnen een gegeven situatie [...] maar meer tot een soort 'geestelijke' elementen. [...] zaken als geschiedenis, een ooit aanwezige concentratie op een plek, of een beweging die zich op een grote afstand voltrok of voltrekt en in relatie staat tot de plek. Ik richt me erop om in een aangeboden situatie dat soort zaken als het ware uit de lucht te plukken. Ik zoek ook steeds meer naar mogelijkheden om dergelijke gedachtengangen te laten resulteren in werkstukken die via immateriële en vluchtige media gestalte krijgen. [...]"
Horvers brengt zijn Utrechtse installatie in verband met het fenomeen energie: die van de Rijn als rivier in eeuwigdurende beweging, maar ook van de mensen die dat alles observeren, reguleren en vastleggen. Hij herkent daarin rituele aspecten, die hij vervolgens toepast in wat hij 'tekenen' noemt: bladzij voor bladzij, laag over laag, schrijft hij de tabellen over waarin de bewegingen van de rivier staan beschreven. Zo groeien tekeningen als 'wolken' van samengebalde, gestolde energie. Via een vergelijkbaar procédé ontstond 'Stream 3', een soort auditieve tekening als verlengstuk van de Utrechtse installatie: Horvers liet de stemmen van de automatische telefoonbeantwoorders mixen tot een opzwepende house-muziek, die 's-avonds in de discotheek gedraaid kon worden. Gebalde energie maakt zo nieuwe energie vrij.
Horvers' werk stelt hoge eisen: aan de toe'schouwers' en aan de omgeving. Geluid is, meer nog dan beeld, gevoelig voor interferentie van ander, onbedoeld bijgeluid. Toen ik op een ochtend de Fellini-installatie bezocht loeide in een aangrenzende ruimte een stofzuiger: wég kunstwerk! Horvers' housenummer loopt het risico, totaal op te gaan in de 'normale' muziek; het kunstwerk is niet meer als aparte entiteit kenbaar. In de VROM-lift blijkt men eerder naar elkaar te luisteren dan naar de geluidswolken van Horvers - die worden dan al gauw zèlf storend bijgeluid, dat door het mentale 'oorlid' wordt weggefilterd. Het VROM-werk eist daarentegen dat het 'in de tijd' herkend, en over langere periode ontrafeld wordt; alleen zó kan men de structuur ervan doorgronden, en doordringen in de mogelijke betekenislagen van de abstracte klanken. Wat dat betreft was de installatie in Utrecht door de meer 'figuratieve' geluiden veel minder hermetisch, ook al omdat de bezoekers waarschijnlijk meer gemotiveerd waren dan toevallige liftgebruikers. Als je je er eenmaal voor openstelt blijkt het geluid een enorme potentie te hebben als sleutel tot zowel een direct fysieke, als ook een meer mentale, intellectuele ervaring.
Dáár ligt het grote belang voor de architectuur. Bewust ingebracht geluid - anders dan de 'eigen' klank van een ruimte (holle galm, ruis van airco of andere apparatuur) of de easy-listening vervuiling van muzac - kan, mits zorgvuldig gedoseerd, de beleving enorm verscherpen en verruimen. Dat wisten ook de bouwers van de gotische kerkruimten, die ware klankkasten zijn voor kerkmuziek, zonder welke de architectuur eigenlijk incompleet is: de gelovige werd erdoor omringd én meegesleept. In déze tijd, waarin overdaad aan materie steeds meer vragen oproept ontwikkelt zich een architectuur, die minder leunt op materieel spektakel dan op meer abstract-architectonische aspecten. Daarbij lijkt geluid, immaterieel als het is, een waardevol medium om de ruimte opnieuw te laden met betekenis.
align="right">© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 940704
Reageren op deze tekst? Stuur een mail.
Recent werk van Toine Horvers is te vinden op zijn site.