Over het nieuwe raam in de Hasseltse Kapel
oorspronkelijk geschreven als toespraak; later - in ongeauthoriseerd gewijzigde vorm - gepubliceerd op een vouwblad door het Bestuur van de Stichting Hasseltse Kapel in Tilburg, z.j.

(Deze tekst is uitgesproken op 31 oktober 1992 in de Hasseltse Kapel in Tilburg bij gelegenheid van de onthulling van dat glasraam dat ontstond naar aanleiding van de zelfgekozen dood van een jonge man.)

HK_site01.jpg

Wie tegenwoordig de Hasseltse Kapel binnenkomt ontwaart wellicht achterin, net vóór het Maria-altaar, een zachtgekleurd glanzen, dat er vroeger niet was. Wie naderbij loopt ziet een glasraam, waarop een stralend gouden schelp lijkt te zweven voor een diepblauwe achtergrond. De kleuren en vormen erboven en eronder zijn niet meteen zo duidelijk; wie goed kijkt ziet in de gekleurde vormen ook nog een soort tekening in zwarte vegen.

Hier is niet de traditionele glas-in-lood techniek gebruikt. In dit eigentijdse raam worden stukken gekleurd glas, waarop met een rastertechniek fotografische motieven zijn aangebracht, geklemd tussen twee platen blank glas - alles samengesmolten tot één geheel. Het raam is gemaakt door de Tilburgse kunstenares Tine van de Weyer (1951). Haar beelden, in abstracte, maar organische vormen, zijn gewoonlijk tamelijk groot en monumentaal. De titels ervan verwijzen naar de gedachtenassociaties waaruit ze ontstaan zijn, zonder dat ze de kijker een pasklare uitleg geven. In Tilburg staat zo, op een binnenplaats van het 'Hoge Veer' aan de Bredaseweg, het beeld 'Mantel der Liefde' uit 1986, en bij de scholengemeenschap 'Durendaal' in Oisterwijk is recent 'Was braucht die Frau' uit 1986/89 geplaatst. De kijker krijgt alle ruimte voor zijn eigen gedachten.

Over het nieuwe raam in de Hasseltse Kapel zegt Van de Weyer: "Het is een beeld van de macrokosmos en de microkosmos: het onmetelijk grote, en het passen in de palm van je hand - het heelal en de schelp in het zand. De wereld in vogelvlucht is nietig - onder de microscoop gigantisch groot. De twee polen in ons leven. Heen en weer geslingerd tussen introspectie en beschouwelijkheid, en de overweldiging van een onmetelijk heelal waarvan we deel uitmaken. [...] Het water, in en uit de schelp stromend, maakt de schelp tot symbool van het leven zelf: glanzend goud/geel als een diamant, centraal in beeld. Een onooglijk klein stukje natuur krijgt de maat van een monument. Foto's, vanuit satelieten genomen, van een berglandschap op aarde en van een berg op de maan: een stuk van de maan als fundament - de onmetelijke aarde gestructureerd tot in details - het blauwe van de onbereikbare verten - bovenin een glasruit-motief als verwijzing naar het klassieke raam in gekleurd glas. De wereld onder het vergrootglas en door een telelens."

Dit raam is ontstaan als stille getuige van het leven en de dood van een mens; op zijn beurt wil het raam aanleiding zijn tot gedachten over het leven en de dood van óns, mensen die nog verder moeten. Een nieuw raam in een historische kapel. Op basis van de gedachten van een kunstenaar is een teken gesteld. Be-teken-is heeft het nog niet echt: dat kan het alleen maar krijgen van óns, mensen die hier komen en kijken en stilzijn, met steeds andere, steeds nieuwe ervaringen en gedachten over ons leven, en uiteindelijk ook over onze dood. Wat zou dit raam ons zoal te zeggen kunnen hebben?

De schelp en de maan, en ook de kleur blauw, zijn ook vroeger al gebruikt als symbool van Maria. Stil en ingetogen reflecteert de maan het licht van de machtige zon; zó geeft de maan licht wanneer het donker is. Mensen hebben daarom altijd vol ontzag naar de maan opgekeken en haar vereerd. Tegenwoordig staan mensen óp de maan en fotograferen haar: is zij daarom minder vol mysterie? De schelp, met haar prachtig regelmatige vormen meegevoerd op de golven van de zee, is eigenlijk schuilpaats en woning: zij beschermt en omhult, en biedt geborgenheid als onraad dreigt. De schelp sluit zich hermetisch om nietig leven heen, maar hier kijken we er, lijkt het, dwars doorheen - je kunt ook 'uit je schulp' komen. Van buitenaf naar binnen, van binnenuit de ruimte in: eindigheid en oneindigheid in één. Het Maria-blauw, vroeger stralend hemelkleurig, is hier mysterieus diep geworden. Een zee van water, die storm en dood in zich draagt, maar ook leven geeft en doopt? Of de ijle lucht en tenslotte het grenzenloos heelal? Het blauw vormt een transparante duisternis, waartegen de schelp goudgeel straalt, majesteitelijk als een zon. De zon zelf is ook in het raam aanwezig: in het licht namelijk, dat er van buiten naar binnen schijnt en de kleuren en vormen voor ons zichtbaar maakt. Ooit associeerde men het licht van de zon met God zelf. Daarom bouwde men de gotische kathedralen met hun enorme glasvensters. Zelfs voor ons, nuchtere en pragmatische mensen, kan het woord 'verlichting' een meerduidige betekenis krijgen: licht dat schijnt in de duisternis, licht dat leven geeft, licht dat inzicht verschaft en uitzicht. Zo biedt ook dit raam uitzicht: buiten staat een boom, die heel het raam doet leven.

De kunstenaar heeft de ruimte be-tekend: in de kapel een teken gesteld. Het staat open voor de be-teken-is die wij, mensen, eraan geven. Ongetwijfeld zal dat niet één enkele be-teken-is kunnen zijn. In lengte van jaren zullen hier mensen komen met elk, iedere keer weer, eigen ervaringen en gedachten. Zij zullen in dit teken wellicht iets van zichzelf herkennen of er nieuwe gedachten aan ontlenen. Zo krijgt het raam voor ieder van ons be-teken-is en geeft het be-teken-is aan ons leven. Zo zuigt op zijn beurt het raam zich vol be-teken-issen, ook als wij er niet meer zijn.

© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 921031

HK_site05.jpg  HK_site04.jpg 
HK_site03.jpg  HK_site02.jpg 

Reageren op deze tekst? Stuur een mail.