Robin Kolleman
in aangepast versie verschenen in: Metropolis M 10 (1989) 2, pp 36-37
"De ielheid is voldoende", zegt Robin Kolleman naar aanleiding van haar jongste beeld, dat ze maakte ter gelegenheid van de presentatie van haar werk in Westersingel 8 in Rotterdam, nadat ze de Drempelprijs van de Rotterdamse Kunststichting gewonnen had. Een uitspraak, die in deze postmoderne glamourtijden wellicht verbazing wekt. Is inderdaad ielheid genoeg?
Een lichtkrant is een prachtig ding: een glad en glimmend gimmick, electrisch zelfs electronisch, met de uitstraling van technisch vernuft, en niet alleen daarin snel en flitsend - ook de teksten, als abstracties van ideeën, die op hun beurt abstracties zijn van de concrete werkelijkheid - toch al van nature ongrijpbaar - glijden, fel knipperend, vaak in ijltempo voort, voorbij. Voorbij, voordat je ze goed en wel hebt gelezen of hebt kunnen lezen. Dat appelleert aan je nieuwsgierigheid, en omdat het geen straf is om naar zo'n geil apparaat te kijken, blijf je staan. Ideaal natuurlijk, voor wie iets te zeggen heeft, voor wie iets te verkopen heeft. De schrijver moet al wel heel prachtig stileren, de marktkoopman al wel heel hard schreeuwen om te verkrijgen, wat hier met een schijnbaar moeiteloze elegantie gaat: aandacht. De lichtkrant werkt. Je ziet ze dan ook overal verschijnen. Aanvankelijk alleen buiten, op gebouwen, als bewegende krant op stedelijke schaal, of als reclamebord. Zo kom je ze tegenwoordig ook in warenhuizen tegen, in discotheken of in de schouwburg. En in het museum. Ook kunstenaars hebben de lichtkrant ontdekt. Jenny Holzer bijvoorbeeld gebruikt ze als uitstalkast voor haar neoneoklassieke postmoderne teksten.
Ook Kolleman gebruikt een lichtkrant. Een van heel bescheiden formaat overigens, maar wel opvallend door zijn kleur: niet het gebruikelijke, wat ordinaire en vermoeiende rood, maar een rustig groenig geel. Een lichtkrant bovendien, die geen tekst laat zien: van links naar rechts glijden er reeksen pijltjes voorbij, die soms even stilstaan en oplichten, maar daarna weer verder gaan. Wie blijft staan wachten tot er toch tekst komt, komt bedrogen uit. Na verloop van tijd verschijnt een klein sterretje in beeld. Daarna zijn er weer pijlreeksen te zien. Ze wijzen naar alle kanten: naar boven en onder, links en rechts en in de vier diagonale richtingen. Ter weerszijden van de lichtkrantbalk is een klein glasvenster te zien, waardoorheen afbeeldingen van twee planeet-achtige vormen schijnen: de zon en de maan? Deze drie elementen vormen samen een horizontale balk, die zich boven je hoofd bevindt op een staketsel van takken, zorgvuldig van zijscheuten ontdaan en geschilderd in het geelgroen van de lichtkrant, en ambachtelijk met deuvels aan elkaar bevestigd. Zo ontstaan platte vlakken, waarin de takken diagonaal lopen en daarmee de pijlvormen van de lichtkrant herhalen. De vlakken vormen samen een soort poort, die schuin in de ruimte staat. Een poort, die nauwelijks afscheiding is: je kijkt er dwars doorheen. Eigenlijk staat er heel weinig. Kolleman noemt het beeld L'asteroide B 612.
Licht. Insecten kunnen er niet van wegblijven, en zij niet alleen: het is een vermoeden van zon. In de hele geschiedenis is het al vaak gebruikt als symbool van het goddelijke. Gotische kathedralen zijn een goed voorbeeld: wat er ook op ooghoogte te zien is, onontkoombaar gaat de blik na verloop van tijd omhoog, want daar gebeurt het. Tussen de hoge glasvensters, onder de ijle gewelven is het licht: zowel object van aanschouwing als aanleiding tot beschouwing. Ook Kolleman gebruikt vaak licht, of juist de afwezigheid ervan, als materiaal. Dat liet ze eerder zien in het beeld 'Ten oosten van de zon, ten westen van de maan'. In een verder verduisterde ruimte stonden zeven deurgrote witte panelen zodanig opgesteld, dat ze een onderbroken cirkel vormden; de ruimte in het midden had een diameter van ongeveer vijf meter. Achter ieder paneel stond een diaprojector opgesteld, die langs het ene paneel projecteerde op het tegenoverstaande. Door gebruik te maken van lege diaramen, met enkel een kras op het glaasje, baadden de panelen in een stralend licht, waarin een onderbroken, enigszins op en neer golvende zwarte lijncirkel zichtbaar was - de kras, waardoorheen geen licht viel: tekenen met behulp van de afwezigheid van licht. Een waarnemer die, daardoor aangelokt, nieuwsgierig de ruimte binnenliep, werd in eerste instantie verblind door de projectoren rondom. Pas daarna zag hij, over de geprojecteerde lijn heen op de panelen ook zijn eigen schaduwen, die met hem mee of tegen hem in bewogen, al naar gelang de richting, waarin hij liep. Precies in het midden verdwenen de verblinding en de schaduwen - daar stond de waarnemer als het ware gevangen tussen langs elkaar heen schietende bundels licht. Dat blijkt in alle immaterialiteit voldoende sterk om de aandacht op te eisen en ruimte voelbaar te maken. Ruimte geconcentreerd in een cirkel.
Robin Kolleman. 'Als pasen en pinksteren op een dag vallen' - Hellevoetsluis, 1986
© foto: Tom Croes, Rotterdam
Cirkels. Overal kom je ze tegen, niet alleen in je wiskundeschrift, sinds het Bauhaus ook in de gebouwde omgeving en allerlei gebruiksvoorwerpen, vaak in hun meest pure vorm. Zo vaak zie je ze, en vaak zo onverklaarbaar, dat je er al niet meer naar kijkt. Je vergeet, dat de cirkel eens stond voor perfectie en schoonheid; de devaluatie van een teken. Kolleman gebruikte de cirkel in haar installatie -als pasen en pinksteren op een dag vallen, die afgelopen zomer te zien was in Hellevoetsluis, in een reeds jarenlang leegstaande bunker. De bunker heeft twee 'kamers': een nagenoeg vierkante vestibule met daarachter een lang, nauw, aflopend en steeds lager wordend vertrek met een tonvormig plafond. Geen prettige omgeving: vies, nat, donker, stinkend, en beladen door de tijd. Een waarnemer, die de installatie van Kolleman kwam bekijken zag van buiten schoongemaakte en violet gekalkte wanden, met daarop vaag glimmende lijnen. Na binnenkomst werd je helemaal omsloten door sierlijke boogsegmenten langs vloer, wanden en plafond: een dunne strip messing, dat in de van zichzelf donkere ruimte nog restjes invallend daglicht reflecteerde. Bij nadere beschouwing vormde het metaal een complete cirkel, waarvan de diameter overeenkwam met de lengte van het vertrek, en waarvan de twee andere 'uiteinden' elkaar midden op het plafond precies raakten. De ervaring was er een van extase, dezelfde die Kolleman gevoeld moet hebben toen ze die wonderlijke hoedanigheid van deze plek ontdekte. Aan deze cirkel nog iets toevoegen zou onmogelijk zijn geweest. Dit was genoeg: de zware beslotenheid van de bunker werd getransformeerd in een prachtige transparantie.
Zoals gezegd, Kolleman won dit jaar de Drempelprijs, die de Rotterdamse Kunststichting toekent aan startende kunstenaars. Robin Kolleman (1960) voltooide afgelopen zomer haar opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam, waar ze Beeldhouwen en Monumentale Vormgeving studeerde bij onder andere Arie Berkulin, Jeffrey Shaw en Kees Verschuren. Tijdens haar studie maakte ze een beeld door in een bestaande muur een verticale, ondiep-ovale schaalvorm weg te hakken: ruimte werd niet gebouwd of vastgelegd - ruimte werd slechts aangeduid. Dit is een kwaliteit, die ze bewondert in het werk van kunstenaars als Bruce Nauman, Walter de Maria en J.C.J. van der Heyden. Over haar eigen beelden zegt Kolleman: "Binnen mijn werk tast ik de mogelijkheden af van het waarnemen van ruimte. Er is telkens een confrontatie van tweedimensionale middelen en de driedimensionale ruimte. Het resultaat van deze confrontatie varieert van oneindigheid binnen de aanwezige ruimte tot oneindigheid binnen de ruimte van het werk. Door deze oneindigheid blijft de plaats die de waarnemer inneemt uit de aard der zaak onbepaald. Dit thema: 'de onbepaalde plaatsbepaling' is als het ware de rode draad van mijn werk. De aanleiding om een werk te starten vind ik in taal, de ene keer in een gedicht en soms in een stuk proza. Ook een enkel woord kan daarvoor al genoeg zijn. De aanleiding blijft echter slechts aanleiding. De 'woordtaal' wordt - in combinatie met mijn ruimtelijke verlangens - omgevormd tot 'beeldtaal'".
Dat is ook het geval bij L'asteroide B 612. De titel is ontleend aan Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry: een nieuw-ontdekte planeet werd voor de omstanders pas concrete, aanvaardbare realiteit door er een naam aan te geven - toen pas was men tevreden, ook al maakte de naam de zaak in wezen niet duidelijker. Kolleman zet een poort neer. Onwillekeurig zoek je, Romeinse triomfbogen, stadspoorten, fabriekspoorten indachtig, boven je hoofd naar een opschrift dat vermeldt, waar je heen gaat. Bij Kolleman zie je een prachtig rustig ritme van pijlen. Ze wijzen, maar waarheen? Wie door de poort heenloopt, komt in de ruimte erachter. Je bent nergens, althans niet op een specifieke plek; de nadere invulling wordt aan je eigen inbeeldingsvermogen overgelaten.
Dit is typerend voor de beelden, die Kolleman maakt. Ze geeft ze steeds een ijzersterke formele logica mee: alles past in elkaar, "Kijk maar, er gebeurt wat er te zien is". De beelden zijn daarbij niet steriel en hermetisch in zichzelf besloten. Integendeel: de visuele helderheid resulteert in schoonheid die aanzet om, iedere keer opnieuw, binnen te gaan in de ruimte van de geest. Inderdaad: "De ielheid is genoeg".
align="right">© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 890203
Reageren op deze tekst? Stuur een mail.