Hotel Fantasia: iedereen is Alice.
verschenen in: Beelding 4 (1990) 9 - november, pp 25-26
Hotel Fantasia: iedereen is Alice.
Dezer dagen wordt in Rotterdam - als het ware in de schaduw van de meest fantastische, grootschalige architectuurprojecten die daar, meestal met veel tamtam, de laatste jaren ter hand worden genomen - de nieuwbouw voltooid van een in vele opzichten uniek hotel. Op het eerste gezicht valt het wat in het niet temidden van alle architectonisch geweld. Het is vrij klein - het zal naast de nodige dienstruimten 44 kamers omvatten. Deze zijn, zoals het eigentijdse hotelwezen betaamt, in essentie volstrekt identiek en anoniem. Slechts het uitzicht verschilt naar gelang de kamers aan de voor- of de achterzijde zijn gelegen; in geen van beide gevallen is het panorama trouwens erg spectaculair. Dat is in veel hotels ook niet meer erg van belang: de kosmopolitische reiziger van tegenwoordig heeft nauwelijks tijd om zich erom te bekommeren. Wat hem het meest interesseert is of hij blindelings zijn beddelamp kunnen vinden - die staat daarom in al die hotels op dezelfde plek op hetzelfde nachtkastje naast hetzelfde bed. Zo is iedere plek, waar ter wereld ook, tòch een soort 'thuis'.
In het nieuwe hotel in Rotterdam zal evenwel wel degelijk sprake zijn van 44 'rooms with a view' - zij het dan, dat de blik niet is gericht op de grote wereld buiten, maar meer introvert van karakter is. Als bouwheer en toekomstig beheerder van het project treedt op Dionysus.
Dionysus is een sinds 1985 in Rotterdam gevestigd kunstenaarsinitiatief. Ontstaan vanuit het enthousiasme van een aantal studenten van de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten, die hun eigen ateliergebouw regelmatig openstelden voor tentoonstellingen van werk van een allengs groter wordende kring van bevriende kunstenaars, is Dionysus tegenwoordig uitgegroeid tot een expositieruimte, die locaal en langzamerhand ook nationaal de aandacht trekt. De afgelopen jaren werd werk van heel uiteenlopend karakter gepresenteerd. Soms gebeurt dat in de vorm van een tentoonstelling, soms ook worden kunstenaars uitgenodigd een installatie te bouwen. Bijzonder was de grafiekmap, die in de zomer van 1989 werd uitgebracht; daarin experimenteerden eenentwintig kunstenaars op uitnodiging met de beeldende potentie van de kleurencopie.
Dankzij een subsidie van WVC is Dionysus nu in staat, zijn gasten in een eigen hotel onder te brengen. Want dat is het bijzondere van het nieuwe project, dat Hotel Fantasia is gedoopt: alle 44 kamers worden 'bewoond' door kunstenaars, die ieder voor zich volledig de vrije hand hebben gekregen in de inrichting ervan. De architect, Willem Timmer uit Delft, heeft zich alleen maar bemoeid met de interne planning en de buitengevels. Het gebouw oogt duidelijk eigentijds in de mate waarin de grenzen vervagen tussen architectuur en design. Deze problematiek is recentelijk aan de orde gesteld door de italiaanse ontwerper Andrea Branzi in zijn boekje Learning from Milan. Hij stelt daarin, dat er in de postindustriële situatie in wezen niet veel verschil meer bestaat tussen een meubel en een gebouw - waar er vroeger nog enorme verschillen bestonden qua constructie, materiaalgebruik en detaillering, is er tegenwoordig enkel nog een verschil in schaal. Dat is tegelijkertijd ook de crux van het nieuwe Dionysus-project. Het Hotel Fantasia is geen echt hotel, maar een soort Chambres d'Amis op miniatuurformaat, waarin je alleen kunt rondlopen met behulp van de verbeelding.
De fascinatie voor kwesties rond schaal en maat zijn bij wijze van spreken al zo oud als de wereld. Door de eeuwen heen hebben mensen vanuit hun eigen specifieke statuur gedroomd over het megalomaan-grote en het microscopisch-kleine; pyramides, Versailles-tuinen en neoclassicistische pantheons aan de ene kant, en minuscuul edelsmeedwerk, zeventiende-eeuwse 'rariteitenkabinetten' als micro-versie van de macro kosmos, en, in eigen land, Madurodam-architectuur aan de andere kant getuigen hiervan. Vaak speelt niet alleen de 'maat' een rol, maar ook de 'schaal' van de dingen, die immers niet alleen een absolute grootte hebben, maar vooral ook een relatieve: het ene object ten opzichte van het andere. Gulliver blijkt in het land van de Liliputters plotseling een reus. Andersom kan ook: in de fantasie van Wim Sonneveld dook Margootje in haar kleine Peugeotje op vanachter het theekopje op de ontbijttafel, een "Christine Keeler in pocketformaat". Erik uit Bomans' Insectenboek wordt zelf klein en kan daardoor in de wereld van de Wollewei moeiteloos converseren met wespen en mieren; ook Alice komt door achtereenvolgens te krimpen en te groeien in de meest wonderlijke situaties terecht. De relatieve maat van de dingen speelt ook vanouds een rol in de beeldende kunsten: schilders ballen hele landschappen samen op enkele vierkante centimeters doek, daarentegen blaast Andy Warhol soepblikjes op tot monumentaal formaat - en wie kent niet de "Giant-..." serie van Claes Oldenburg? En wat te denken tijdens een wandeling tussen wolkenkrabbers van een moderne metropolis, terwijl je luistert naar een Mahler-symfonie die klinkt via een koptelefoon vanuit een portable cd-speler in je jaszak? De oneindige schaalloosheid, die vroeger alleen via beeldende kunst en literatuur - en in èchte dromen - bereikt kon worden, is nu ook in de werkelijkheid haalbaar. De vraag, die hierbij gesteld kan worden is, wat dan nog 'de werkelijkheid' is; het ontbreken van vaste referentiepunten veroorzaakt problemen - mijn vingers passen nog maar nauwelijks op de knopjes van de cd-speler - maar opent ook geweldige perspectieven - tegenwoordig is overal Wonderland, en iedereen Alice.
Duidelijk is, dat het maat- en schaalprobleem zich niet alleen afspeelt op het vlak van de realia, maar vooral ook in de verbeelding. Anders dan bij een poppenhuis, waar je zelf buiten blijft staan, in de 'grote' wereld, en dat je daarom blijft ervaren als een geminiaturiseerde versie daarvan - alleen kinderen lukt het, bij de poppen op theevisite te gaan - is bij de kijkdoos de buitenwereld als referentiepunt volledig uit het zicht verdwenen op het moment, dat je door het kijkgat gluurt; dan wordt een schoenendoos vol bladeren, takjes en paddestoelen getransformeerd tot een heus bos. De verbeelding krijgt dan optimaal de kans.
Willem Timmer. 'Hotel Fantasia' in Dionysus, Rotterdam, 1990; © foto: Hans Wilschut, Rotterdam
Het Rotterdamse Hotel Fantasia is in de werkelijkheid van de realia een meubel-achtige miniatuurversie van een 'echt' hotel, maar voor wie fantaseert klein te zijn als Alice, zou de lobby van het hotel de stoep kunnen zijn van Wonderland. Het register op de desk geeft de namen van 44 kunstenaar-bewoners, afkomstig uit Rotterdam zelf, Nederland en enkele andere Europese landen. Hun kamers - qua afmetingen onderling volkomen identiek - liggen op twee verdiepingen ter weerszijden van een centrale corridor, waarvan de plafonds, net als in het Parijse Centre Pompidou, overwoekerd worden door bundels mansdikke kabels, die tot de electrische installatie blijken te behoren. Merkwaardigerwijs zijn de kamers niet vanaf de corridor bereikbaar: deze heeft slechts blinde muren, waarin deuren ontbreken. Om de interieurs te bekijken moet je eerst weer groot worden ("Lieve hemel, stoot je hoofd niet!"), buiten gaan staan en van daaruit naar binnen kijken. Aan de straatzijde hebben de meeste kamers enorme glasgevels, slechts hier en daar moet je door een klein venstertje gluren. Niet overal brandt tegelijkertijd licht: de Directie heeft dat op afstand geregeld - zij toont zich, en is ook daarin heel eigentijds, niet afkerig van enige manipulatie van haar gasten. De deelnemers werden door Dionysus uitgenodigd een kunstwerk te realiseren binnen een gegeven formaat (40 x 50 x 65 cm), waarbij verder gesteld was, dat de bovenzijde van de doos open moest blijven in verband met het centrale verlichtingssysteem. Dat verlicht de dozen om en om en maakt het aldus mogelijk ze afzonderlijk te bekijken.
De bezoeker wordt binnen een heel klein, geconcentreerd ruimtelijk bestek geconfronteerd met de grote verscheidenheid aan opvattingen en verschijningsvormen, die karakteristiek is voor de beeldende kunst in zijn huidige fase. Daarmee levert deze mini-tentoonstelling een kaleidoscopische ervaring op, een collage van heel uiteenlopende beelden. Opvallend is, dat maar weinig inzenders de hun toegewezen ruimte hebben uitgewerkt tot een kijkdoos; de meeste kamers hebben één compleet verglaasde wand en blijven daardoor iets poppenhuis-achtigs houden. Al met al vergt van de toeschouwer een heel intensieve, want steeds andere manier van kijken, temeer waar je dus in de meeste gevallen 'buiten' blijft staan en je je daarom eerst een weg moet banen naar binnen toe, ieder afzonderlijk kunstwerk in. Die moeite wordt echter wel degelijk beloond met een staalkaart aan interpretaties van de ruimte binnen de gegeven doosvorm en opvattingen van 'ruimte' in meer abstracte zin enerzijds, en de relatie tussen de ruimte van het kunstwerk 'binnen' en die van de toeschouwer 'buiten' anderzijds.
De Britse kunstenaar William Sweetlove bouwde een 'African Landscape' met behulp van Zwitsers [!] aandoend chalet uit een modelspoorbaan, waarnaast bij wijze van bomen twee gardes staan met klodders slagroom eraan, terwijl drie speelgoed-struisvogeltjes [net zo'n raar woord als 'mammoetje'], vastgepind op hun eigen kleine grondvlak, voor het huis rondlopen; een enorme rechtopstaande kei van kunststof, die het hele tafereel domineert, leunt tegen de zwart-spiegelende achterwand van de doos. De zijwanden daarvan zijn trouwens transparant en gunnen zodoende een blik in het overigens verborgen binnenste van het Hotel: enerzijds Alice' corridor en anderzijds - het is maar, hoe je kijkt - spaanplaat van de dozen van andere kunstenaars. Sweetlove werkt met verkleinde versies van zaken, die in werkelijkheid veel groter zijn; de suggestieve kracht van de 'fantasia' brengt ons via deze objectjes weer op het spoor van de oorspronkelijke maten, zonder die evenwel exact vast te leggen - dit is een schaalloos landschap.
De Duitse kunstenaars Gudrun Fuchs en Urs Fritz voorzagen hun doos ieder van een spiegelende achterwand; daardoor wordt de ruimte binnen de doos zelf en die erbuiten verdubbeld tot een soort sleuf. Bovendien ziet de toeschouwer er zijn eigen kop terug, in combinatie met de reflectie van een paar schoenen, dat middenin de doos voor de spiegel staat opgesteld; de zeer herkenbare en absolute maat van de reële schoenen werkt binnen de doosruimte anders dan die van de gereflecteerde schoenen en kop in de spiegel: die hebben veeleer een relatieve, schuivende maat, waarop je nauwelijks grip hebt.
De Fransman François Elie schakelt de verbeelding op weer een heel andere manier in. Voorin zijn doos bouwde hij een wand, met enkel een deuropening erin; wie daardoor naar binnen gluurt - je moet daarvoor door de knieën - kijkt in een lege ruimte, waarin enkel een blauw licht zichtbaar is, dat van bovenaf komt. 'Souvenir d'Italie no. 2. Etude de ciel à Assisi' is daarmee een zeer immaterieel werk, waarin de verbeelding nergens meer botst op realia.
Een ultieme kijkdoos leverde Toine Horvers, die gewoonlijk met geluid werkt om daarmee ruimte te definiëren. Dat doet hij in dit geval helaas niet - zou een 'luisterdoos' ook kunnen werken? Horvers' doos is een simpele kartonnen doos, waarin je via een kijkgat naar binnen kunt komen. Daar is enkel de kartonnen doos te zien - verder niets: the rest is silence.
Het Hotel Fantasia is van 28 oktober tot en met 25 november 1990 te zien in de ruimte van Dionysus. Daarna verhuist het in zijn geheel naar diverse steden in Europa, allereerst naar Antwerpen en Londen. Het hotel is mobiel. Daarmee is zelfs de architectonische plek schaalloos geworden.
align="right">© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 901009
Reageren op deze tekst? Stuur een mail.