Een bezoek aan 'de plek van Kamiel' -
vrijdag 13 maart 1998, 11.00 - 12.45 uur

verschenen in: Kamiel Verschuren en Guus Vreeburg. De schaduw van het beeld. Rotterdam, Centrum Beeldende Kunst/Kamiel Verschuren, 1998 ISBN 90 5196 107 3
Het boekje bevat verder een gesprek dat Kamiel Verschuren met mij had over die 'plek' - een "ruimtelijke scheiding in het toegangsgebied tot een omsloten stadstuin" in Rotterdam/Charlois, dat Verschuren had uitgevoerd naar aanleiding van een opdracht daartoe van het CBK in 1995. Het gesprek had plaatsgevonden vóórdat ik de 'plek' bezocht had; dat gesprek en dit ooggetuigen-verslag vormden in het boekje een complementerend tweeluik, als zodanig vormgegeven door Bart Oppenheimer.

1998Verschuren_Schaduw boekje cover_site.jpg

Een bezoek aan 'de plek van Kamiel'- vrijdag 13 maart 1998, 11.00 - 12.45 uur
Ik kom aanrijden via de Wolphaertsbocht, blijkbaar een recentelijk geheel gerenoveerde straat: overal staan frisrood-nieuwe woonblokken met winkels op de begane grond. Ergens halverwege wordt de gevelwand onderbroken, en verbreedt het trottoir zich tot een halfrond pleintje met gebogen gevels, waarin links een snackbar en een bloemenshop, en rechts een supermarkt. Daartussenin geeft een opening, van boven afgekaderd door een betonnen loopbrug, toegang tot wat ik maar ‘de plek van Kamiel’ noem, die op zich weer een doorgang is naar het binnenterrein van het huizenblok. Ik loop het halfronde pleintje op en zie dat dat binnenterrein, nu nog een wildernis maar volgens Kamiel in de toekomst heringericht als aantrekkelijke buurttuin, minstens twee meter lager ligt dan de straat - ‘zou de Wolphaertsbocht ooit een waterkerende dijk zijn geweest?’ flitst door me heen. ‘De plek van Kamiel’ is daarmee niet alleen een gevoelsmatige overgang tussen de openheid van de straat en de beslotenheid van de binnenruimte, maar ook de duidelijk voelbare overbrugging van het hoogteverschil tussen beide. Die twee factoren zijn zichtbaar bepalend voor wat Kamiel hier gedaan heeft.
Eerst nog maar eens goed kijken. Rechts, grenzend aan de zijwand van de supermarkt ligt een horizontaal terras, waarvan het uiteinde als een balcon hoog over het binnenterrein uitkijkt: het ‘balcon-terras’. In het midden voert een steeds breder uitwaaierende ‘luie’ trap naar beneden, de treden zijn van beton, waarin de bekistingsplankjes een zigzaggend patroon van versteende nerven hebben achtergelaten: het ‘betonnen-houtpad’. Hiervan afgescheiden door een getrapt muurtje van glad beton gaat uiterst links een tamelijk smalle hellingbaan met egaal betonnen bodem naar beneden, vanaf het halfronde voorplein direct naar de ingang van het vrouwencentrum beneden op het binnenterrein.  Het verschil in hoogte tussen de straat en het binnenterrein is dus niet alleen van voor naar achter uitgebuit, maar ook van rechts naar links: dit kleine gebiedje heeft een gecompliceerd en daarmee intrigerend ruimtelijk reliëf, waaraan visueel veel valt te beleven. Het ‘betonnen-houtpad’ en de hellingbaan worden onderaan afgesloten door een metersbreed grijs-verzinkt metalen traliehekwerk, dat scharniert aan de damwand van het ‘balcon-terras’ rechts; het hek grijpt over een vierkant wandje van beton heen dat, zo’n twee meter hoog en pal in het verlengde van het ‘betonnen-houtpad’, de natuurlijke zicht- en looplijn vanaf de straat naar het binnenterrein verspert. Mede doordat het hekwerk tamelijk hoog is en zwaar oogt, krijg ik het gevoel dat ‘de plek van Kamiel’ als geheel meer een verlengstuk is van de straat dan aanzet tot het binnenterrein.
Kamiel heeft het hek voor mij opengezet, opdat ik kan zien hoe dat in zijn werk gaat, en ik ook het binnenterrein kan betreden. In gesloten toestand stonden hekwerk en het betonnen wandje in het midden daarvan op één lijn, maar nu is het hek ongeveer 30o naar voren gekomen - het wandje is natuurlijk op zijn plaats gebleven - en door de zo ontstane opening loop ik - zig-zaggend om het wandje heen - het binnenterrein op. Het is min of meer vierkant: rechts een hoog flatgebouw met gallerijwoningen, overgaand in etagewoningen boven de winkels; en links een blok in vijf lagen, met oa een buurtcentrum en een basisschool met speelpleintje; meteen naast hekwerk van ‘de plek van Kamiel’ steekt een driekwart-ronde uitbouw het binnenterrein in: het vrouwenhuis. Het terrein wordt aan de twee overige zijden omsloten door kleinschaliger oudbouw. Wat ooit een buurtpark moet worden is nu nog een wildernis, een restruimte met particuliere tuintjes, een stuk niemandsland vol stenen en grote waterplassen - een moeras bijna - en een geïmproviseerd schoolplein: al met al een fantastisch gebied om in te spelen, maar het staat vol schuttingen en hekken...
Als ik me weer omdraai en terugloop in de richting van de straat zie ik de aansluiting van het door Kamiel ontworpen hek op de uitkragende zonwering van de ronde uitbouw: dat is mooi en zorgvuldig gedaan. Slordig en onuitgewerkt is de ontmoeting van het opengezette hek met de rode baksteenwand: dat leidt makkelijk tot beschadigingen van hekwerk èn muurwerk. Zo zijn er meer details aan de constructie van het hek die verraden, dat ontwerper en constructeur veel onbekende paden hebben moeten verkennen: het hek voelt veel minder solide aan dan de enorme afmetingen - het is naar schatting 3 meter hoog en ruim 8 meter breed - doen vermoeden. En dan: het is dan wel een zwaar-gedimensioneerd ding, maar ik vraag me af of het in staat is, de toekomstige tuin daadwerkelijk af te sluiten voor ongewenste bezoekers - het lijkt me nogal ‘klim-vriendelijk’... Is dit nu weer een voorbeeld van het spreekwoordelijke ‘kind-met-een-waterhoofd’ - of ben ik nu weer veel te zwaar op de hand en moralistisch - maar van de andere kant: het oogt, grijs-verzinkt als het is , als een no nonsense functioneel object - had het anders niet beter kunnen worden uitgevoerd als een lekker kleurig, louter decoratief element? Veel vragen, weinig antwoorden.

Terwijl ik beneden aan de ‘dijk’ sta ziet de ruimtelijke driedeling van de plek er heel anders uit dan zoëven, van boven. De hellingbaan is en blijft een saai en degelijk ‘kanaal’; het ‘balcon-terras’ oogt als een ongenaakbare burcht, een klif; en het ‘betonnen-houtpad’ is als een waterval, of liever: als een vrolijk klaterende bergbeek, vol leven.
Dit wordt verder gearticuleerd door een aantal kleinere ingrepen en toevoegingen. Zo blijkt de hellingbaan voorzien van een houten leuning: dunne,van hun bast ontdane boomstammetjes, ingeklemd in tamelijk zwaar uitgevallen en nogal hoekige blank-metalen beugels. Aangezien die stammetjes horizontaal gemonteerd zijn, en dus niet de helling volgen zitten ze, wanneer je omhoog loopt aanvankelijk op normale handhoogte, maar even verderop ergens halverwege je knie. Verder hoop ik dat hier nooit eens iemand onderuit gaat, je zou je aardig  kunnen bezeren aan de ophangbeugels. Ik vind het allemaal niet erg praktisch, en nogal ‘gewild’.
 Eenmaal weer boven gekomen oogt het ‘balcon-terras’ erg kaal: ik weet, dat op de gemetselde kolommen aan weerszijden nog lichtarmaturen moeten komen, maar nu is de ruimte leeg: deze hoog gelegen plek noodt in principe uit tot zitten en lekker om je heen kijken, maar ‘zitten’ kan alleen maar op het flankerende muurtje - de daarop gemonteerde metalen railing zit daarbij aardig in de weg... Waarom staan hier geen bankjes, waarom is hier niet een beschuttende pergola of iets dergelijks? De vloertegels - vooraan grijs, achterin gelig - wiebelen, want ze liggen los (sommigen blijken al naar beneden gesmeten, het binnenterrein in). De randen van de vloer zijn, zoals bij veel trottoirs, nogal ‘rafelig’ door gepruts met slordig-scheef afgesneden tegels waarmee de laatste gaatjes moeten worden uitgevuld. Kortom: wat een feestelijk-mooie plek zou kunnen zijn ziet er nu al shabby en afgetrapt uit...
Verreweg het meest aangenaam vind ik het ‘betonnen-houtpad’ in het midden. Ondanks alle baksteen en beton is ‘hout’ is hier duidelijk een thema. Onderweg naar beneden over de brede, ‘luie’ treden - daarom ervaar ik dit eerder als een ‘pad’ dan als ‘trap’ - kom ik ook hier een aantal bomen tegen: geen echte ditmaal, maar gevormd uit beton; stammen met grijs-betonnen bast schieten omhoog uit de treden, en zijn op steeds wisselende hoogte ‘afgezaagd’ - of liever spiegelglad gepolijst: het eenvoudige beton met de daarin opgenomen kiezels krijgt daardoor plotsklaps het aanzien van groen graniet - overigens de enige echte kleur in een verder nogal kleurloos uitgevallen omgeving. Deze ‘versteende’ boomstompen gaan een mooi spel aan met de nervatuur van de eerder genoemde zig-zag gelegde bekisting van de treden. Onderaan het pad is nog iets bijzonders zichtbaar: de laatste, hoogste stomp lijkt geëchood te worden door een uitholling in het vlak-betonnen wandje middenin het hek, alsof dat wandje en die boom voorheen tegen elkaar hebben gestaan - wanneer, en hoe zijn ze dan uit elkaar geschoven? de boom vooruit, of het wandje achteruit? en heeft dat dan iets te maken met het open-en-weer-dicht gaan van het grote hekwerk?  En dan die stenige stompen en houtnerf-imprint: zijn dit de versteende resten van de bomen die eens op het groengrassige talud van deze dijk groeiden, voordat die door een reusachtige matrijs tot het tegenwoordige ‘betonnen-houtpad’ werd geperst? Ik vind het allemaal intrigerend - en vraag me tegelijkertijd af of ik de enige bezoeker ben die hierbij stilstaat?

Overigens verrijken de boomstompen en de nervatuur van de treden de plek niet alleen in inhoudelijke, maar ook in visuele en praktische zin: ik voel me op subtiele wijze verleid af te wijken van de rechte looplijn en de plek vanuit steeds wisselende hoek te bekijken. Op sommige boomstompen kun je gaan zitten - eindelijk! - en anderen dagen uit tot diefje-met-verlos of klauteren: déze bomen kunnen tegen een stootje! So-wie-so is dit ‘meer-pad-dan-trap’ niet alleen een ruimte om snel doorheen te lopen, zoals de hellingbaan links, maar nodigt het ook - veel meer dan het ‘balcon-terras’ rechts uit tot allerlei activiteiten ter plekke. Kortom: wat mij betreft het meest ‘gelukte’ deel van deze ‘plek van Kamiel’.

Naast wat hier allemaal duidelijk ‘ontworpen’ is kom ik allerlei sporen tegen van andere mensen, die deze plek al in gebruik genomen hebben. Ik zie bijvoorbeeld velerlei graffiti, variërend van ‘Maroc’ en ‘Turkiye’ links langs de hellingbaan naar het vrouwencentrum, tot ‘Ik ga voor edah, ik haat edah’, ‘daniloh hartje carolee, afz dl’, ‘xavier is the king’, ‘sudhier is the best’, ‘rahwi loves ...’, ‘kanker-carolee’; een tekening die blijkbaar Danilo voorstelt, met borsten en enorme pik; ‘rahwi is the best’, ‘c is op raoul’, etc etc; ook zie ik op twee plekken kleine ronde gaatjes in het thermopane glas van vensters links en rechts: zijn het kogelgaatjes, of waren het gewoon steentjes? half verscholen achter een muurdammetje op het ‘balcon-terras’ zie ik een plastic schaaltjes met hondekluiven, een vieze ouwe handdoek en een oud gordijn, alles vochtig van de regen; het ‘betonnen-houtpad’ ligt bezaaid met scherven van een bierflesje, en overal zwerven papiertjes. Al deze sporen tilden deze plek vanuit de vlekkeloosheid van de tekentafel - daar was het nog enkel ‘de plek van Kamiel’ - naar de woonwereld van echte mensen; wie zouden zij zijn?

Ik spreek een meneer aan, die zijn fiets stalt naast de supermarkt: een wat oudere, waarschijnlijk gepensioneerde man, die hier zijn boodschapjes komt doen. - Heeft hij het al bekeken, deze plek en die poort? “Nou nee, ik haal mijn boodschappen hier...”.  - Maar verder heeft U hier  niets te zoeken? “Kinderen komen hier spelen, die zitten meestal op het muurtje hierzo, en dan een beetje tegen de muren schrijven enzo...”. - Wordt die poort trouwens nog officieel geopend? “Geen idee van, ik dacht trouwens dat het al geopend wás, het is allemaal pas gebouwd...”. - En die botten die hier liggen, het lijkt wel of hier iemand op botten heeft liggen kluiven...? “Dat is er zo eentje, die staat hier de hele dag, met zo’n krantje van de straat, weet je wel... en die heb ‘n hond bij ‘m, en die...”.
En dan verdwijnt de man naar binnen. Hij komt hier blijkbaar regelmatig, maar wat hier allemaal gebeurd is gaat althans aan hem voorbij, lijkt het.

Terwijl ik rondloop met mijn microfoon om mijn indrukken in te spreken kom ik in gesprek met een andere voorbijganger: - Dag meneer, ik zie U zo kijken... over die poort, weet U er iets van? “Nee hoor, ik weet er niks van hoor, ik woon hier ook niet...”. - Vindt U het wat, al die nieuwe architectuur? “Ik vind het wel mooi; vroeger waren er hier gewoon woningen, lage, gewoon huizen, en winkels, een beetje oud, daar zijn nog wel foto’s van in het museum van Charlois...”. En dan is ook hij weer weg.

  1998Verschuren_Schaduw boekje binnen_site.jpg 

“Dag meneer, wat komt U hier doen? bent U van de radio?” Mijn microfoon oefent onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op een groepje jochies, op weg van de school om de hoek naar hun middagboterham. Ze willen allemaal met me praten. “Hé meneer,  ik ben ‘t leukste jongen van de hele school, ik ben knap, ik ben lief, iedereen wil wel met mij...”. - Wie ben jij dan wel niet? “Ik ben Rahwi” [dát is dus Rahwi, één van de helden uit de graffiti’s op het ‘balcon-terras’]. Hij blijkt in het gezelschap van Hulas, Adem en Cynthia (hopelijk schrijf ik hun namen correct): een levendig cluppie zo te zien, allemaal een jaar of twaalf. - Wonen jullie hier ook? “Ja natuurlijk, Clemensstraat [met de klemtoon op -’mens’]”. - Waar in Turkije ben je geweest? “Antalya”. - Komen je vader en moeder daar vandaan? Oh, je opa is daar boer! En jij? “Ik ben Joegoslaaf”. - Waar kom je dan vandaan, wáár uit Joegoslavië? “Uit Servië; ik heb Marokkaanse vriendin”. - En jij? Rahwi zegt uit Suriname te komen. Maar je bent hier geboren? En Cynthia dan, is zij in Suriname geboren? “Nee, ik ben half kaas!”. Ze zijn het erover eens dat ík helemáál ‘kaas’ ben. Ik vraag ze over ‘de plek van Kamiel’: zitten jullie daar vaak? Het ‘balcon-terras’ blijkt favoriet. Rahwi: “Ik spring ervan af, wij zijn sterke strijders!” - En Cynthia, spring jij er ook van af? Nee? Waarom niet? De jongens in koor: “Meisje, meisje!”  - Jullie zijn allemaal twaalf, en jullie springen van dat muurtje af? O, zijn jullie de gangsters? En jullie kleine broertjes van tien, springen die er óók van af? “Ja!” En jullie nóg kleinere broertjes van acht? En jullie moeders, wat vinden die daarvan, vinden die dat allemaal goed? O, die weten het niet... ja, dat deed ik vroeger ook!
“Maar meneer, wat komt U hier nou doen, bent U van de krant?” Nee, ik werk niet voor een krant, ik ga een stukje schrijven voor die jongen die dit allemaal gemaakt heeft, Kamiel heet-ie, kennen jullie die? Die heeft mij gevraagd iets over dit plekje te schrijven, over die betontrap met die rare betonnen bomen erin; vinden jullie dat mooi? Rahwi: “Ja, maar ik weet eigenlijk niet wat die boomstammen voorstellen...”. - Zullen we er even naar toe lopen, dan ga ik jullie interviewen... En hoewel sommigen naar huis willen om te eten, lopen ze uiteindelijk toch allemaal achter me aan.
- Jullie klimmen er dus gewoon over heen, over dat hek, en er is niemand die zegt dat dat niet kan? Wat vinden jullie allemaal leuk aan deze plek? “Om van het muurtje af te springen, dan kunnen we toch nog op het schoolplein komen als de poort van de school dicht is”. - En wat nog meer? “Nou, om hier tikkertje te spelen”. - Dan moet je wel uitkijken dat je niet valt, er ligt overal glas! “Er komen hier ook allemaal mannen, oude mannen, mannen die dronken zijn en zo, en die liggen hier te slapen, de hele dag, ‘s avonds en ‘s middags, en die schelden de hele tijd.” - En hebben jullie die bomen gezien, of althans... weet je hoe ze die gemaakt hebben? “Van beton!” Maar dat is toch niet gewoon beton (wijs op de bovenkant); “Nou gewoon, met allemaal steentjes...”. - Volgens mij hebben ze het geschuurd, of gepolijst, want het is helemaal glad, voel je wel, dat is overal bovenop die bomen - en warempel, ze gaan kijken en nu zien ze het ook. Ik wijs op de graffiti ‘C is op Rahwi’ en vraag aan het Turkse jongetje: - Wie is er jou? Niemand? “Meneer, weet U wat ‘bok’ is?” Als ik zeg dat ik dat niet weet ontstaat er enige hilariteit; vervolgens zegt hij iets in het Turks en vraagt me uitdagend, of ik weet wat dát betekent...? - Oh, ‘je vader is een ezel’. Maar deze plek,  vinden jullie die mooi? “Nou, die hek”; en: “Het is wel allemaal heel grijs”; en: “Die bomen hebben helemaal geen takken”... En dan stuiven ze weg. 
 Kamiel, je hebt het gehoord: het hek, daar klimmen ze overheen; het muurtje, daar springen ze van af; het beton vinden ze te grijs en te weinig kleur; de ‘bomen’ vinden ze leuk! Kort samengevat, kort door de bocht, komt het dáár wel op neer, ben ik bang...

Er passeren twee wijkagentes-met-de-platte-pet: ze observeren me, professioneel-onopvallend, maar zeggen geen woord. Naast het wijkgebouw Oud Charlois annex bibliotheek staat de school. Het gangetje naar het schoolplein kan worden afgesloten met een door de architecten gepland hek; daarboven een geïmproviseerde vuren lat met prikkeldraad: dáár klimt niemand overheen!
Op het schoolplein op het binnenterrein, met zicht op ‘de plek van Kamiel’, tref ik weer een groepje andere kinderen, jonger dan de vorigen - deze zijn rond zes à zeven jaar oud, schat ik. Allereerst Fahim en Nahim, twee wondermooie jochies, broertjes duidelijk, bijna een tweeling, maar de een lijkt me een jaartje ouder, want een kop groter, dan de eerste. Verder Nadji, een tenger meisje met fonkel-ogen, en Jaël - type ‘Hollands welvaren’; ook Mohammed, maar dat is niet dezelfde als waarvan de grafitti zegt dat-ie op iemand is, want déze Mohammed is naar eigen zeggen ‘op niemand’; Jaël wel, die is op Idjanti; die heeft een broer en een zus, en “ze heeft heel lang haar en ze zit in een klas hoger dan mij”; “en hoe heet U dan?”, en (kijkend naar de microfoon) “wat komt U hier doen?” - Spelen jullie daar (nl op ‘de plek van Kamiel’) ook wel eens? “Nou, ze hebben nu een hek gebouwd, en een schutting, en nu kunnen we daar niet meer komen (nl op het binnenterrein), daar was eerst ijs, en dat kon je kapot slaan, maar daar kunnen we nu niet meer komen.”  Steeds doet Jaël het woord; hij legt ook uit dat ze op woensdagmiddag in het vrouwencentrum gaan spelen. Ik voel me net de rattenvanger van Hameln; de hele troep komt achter me aan als ik vanaf het schoolplein over straat terugloop naar ‘de plek van Kamiel’.  - Daar zijn jullie weer... Ze merken dat het hek nu open staat, normaliter is het dicht. - Klimmen jullie er nu al overheen, je bent pas zes... Jaël vindt de beton-boom mooi: “Eigenlijk moet hij bruin zijn, maar hij is grijs, want hij is van steen”. - Of hij het erg vindt dat-ie niet bruin is, als een echte boom? “Nee, want dat past hier niet, een bruine boom, als hier een bruin ding komt, was-tie niet meer zo mooi”. - En hebben jullie gezien dat het net lijkt dat er op de vloer allemaal houten plankjes liggen, weten jullie hoe dat komt? Jaël (wijzend op de voorste, kortste ‘boom’-stomp): “Hier staat een boom die omgehakt is”. Hij gaat er bovenop staan en doet, op mijn verzoek, ‘een standbeeld’. - Weten jullie welk standbeeld dat is? Dat weten ze perfect: “In Amerika, in New York” (nl het Vrijheidsbeeld). Dan doen ze om beurten ‘een standbeeld’ en laten zich door mij in model zetten. Mohammed vraagt: “Welk standbeeld is van Nederland?” Ik probeer te verwijzen naar het Zadkine-beeld van Rotterdam, maar dat slaat niet aan, dát kennen ze niet... Ik vraag of er op deze plek, naast de ‘houten’ ‘bomen’ en de ‘houten’ vloer, nog meer van hout is? Meteen wijzen ze op de houten boomstam-leuninkjes, dat komt van een boom, maar dat ‘het hout waar het raam in zit’ ook van een boom afkomstig is ontkennen ze in eerste instantie: dat komt “van de fabriek”. - Ik zie daar de naam van Rahwi staan, kennen jullie die? “Ja”. - En Carolee? “Ja”. - En Mohammed? “Die is van groep 7; en ook Danilo; en ook ‘Cappucino’” - hun bijnaam voor een van hen, dat veroorzaakt luid gegiechel. Abdullah mengt zich in het gesprek; wat vindt hij mooi hier? [onverstaanbaar]; en wat vindt hij lelijk? “De natuur”. Zijn moeder doet ook boodschappen bij de supermarkt hier, “Ken je die reclame?” vraagt-ie, en meteen beginnen ze allemaal te zingen: “Ik ga voor...”. Er komt weer een ander jongetje aangelopen en gooit een plastic zakje op de grond... - Hebben ze je op school niet geleerd dat je dat niet moet doen? Waarop Jaël: “Daar staat toch een prullenbak...?” Die staat blijkbaar te ver weg, helemaal op het voorpleintje boven... Dan gaat in de verte de schoolbel, en ze stuiven allemaal weg, voor deze ene keer dóór het openstaande hek en over het binnenterrein, naar het schoolplein...

Op zoek naar een munttelefoon - de telefoons op straat werken allemaal alleen maar op kaarten - kom ik in de snackbar terecht. Onderweg daarheen komt me tegemoet het meisje Cynthia, dat ik zoëven sprak, met een enorme zak patat (het is tussen de middag...); ik loop nu zonder microfoon - ze herkent me niet. De snackbar blijkt ook te functioneren als lunchroom: er zitten twee jonge mannen aan een tafeltje; een man van middelbare leeftijd, type vertegenwoordiger, leest De Telegraaf; twee zwervers drinken koffie; en een Surinaamse jongeman staat hevig gesticulerend aan de telefoon, tot ergernis van de twee dames achter de counter. Ik wacht mijn beurt af, bestel een patatje en denk na over wat ik gezien en gehoord heb op en rond deze ‘plek van Kamiel’.

Kamiel wilde hier niet een als zodanig herkenbaar ‘kunstwerk’ neerzetten, maar meer de doorgangsruimte ontwikkelen als ‘plek’. Het hekwerk, het eerste uitgangspunt van de opdracht, is op het eerste gezicht een heel vanzelfsprekend en weinig opvallend ding, en waarschijnlijk enkel voor een getraind oog iets bijzonders. Veel meer ‘een kunstwerk’ is het ‘betonnen-houtpad’ en vooral de betonnen bomen daarop; wellicht wordt ook nog de boomstammetjes-leuning langs de hellingbaan als ‘vreemd’ en dus ‘kunst’ ervaren (hopelijk leidt de relatieve gebruikswaarde ervan niet tot versterking van alle hardnekkige clichés in dezen)...Maar voor het overige gaat mijn benaming ‘de plek van Kamiel’ voorbij aan Kamiel’s ambitie niet zozeer ‘de kunstenaar’ uit te willen hangen als wel zichzelf onzichtbaar te willen maken en dienstbaar te zijn aan de mensen op deze plek. Het is in die zin te beschouwen als zomaar een plekje in Rotterdam, waarop en waarmee mensen ‘wonen’. Alle bijzondere aandacht  die eraan is besteed om het, langs alle ambtelijke procedures en ambachtelijke ‘onmogelijkheden’ heen, zo te krijgen blijft onzichtbaar voor de mensen die hier wonen, die bij de EDAH hun boodschappen doen. Ze zullen het nauwelijks als ‘iets bijzonders’ opmerken, en er waarschijnlijk dus ook niet op een bijzondere, omzichtige manier mee omgaan. Dat geldt trouwens ook voor de voorzieningen op het ronde voorpleintje, door de Gemeente aangelegd: heel vanzelfsprekend is daar plaveisel, een paar bankjes, lantaarnpalen, en een paar afvalbakken. Twee RET-mensen zijn bezig die te legen. Op ‘de plek van Kamiel’ ontbreken dergelijke bakken, kinderen al gooien hun troep gewoon op de grond. Hoe zou deze plek er uitzien vanuit het perspectief van de RET-straatvegers? Of dat van de zwervers, of de straatkrantverkoper met zijn hond? En hoe ziet deze plek er uit over, zeg, tien jaar? Het is een ‘heavy duty’-plek, die ondanks zijn hardheid, toch eigenlijk heel fragiel en kwetsbaar is: wie is hier? wie houdt hier toezicht? wie is verantwoordelijk voor alle extra zorg en onderhoud dat juist deze plek - ‘onzichtbaar’ kunstwerk - nog afgezien van het normale RET-werk, nodig heeft?
Vanaf deze plek een vakantie-herinnering: de beroemde Trevi-fontein in Rome, door hedendaagse toeristen volgegooid met wensmuntjes en ontelbare malen vastgelegd op foto, film en video vanwege het spectaculaire beeldhouwwerk in oogverblindend wit marmer - kosten noch moeite werden gespaard voor wat oorspronkelijk uiteindelijk toch gewoon een openbare ‘water-tap’ was in een tijd dat de huizen nog geen eigen stromend water hadden... de ontwerper maakte er een spectaculair kunstwerk van, maar dacht er, dienstbaar, óók aan om, amfitheatersgewijs rondom deze functionele pracht, banken neer te zetten, zodat alle vermoeide watersjouw(st!)ers even konden uitrusten bij een gezellige buurtroddel. Uit een periode veel dichter bij onze eigen tijd, maar ook al weer lang vervlogen (1947-1952), dateert de ‘daktuin-als-dorpsplein’, die Le Corbusier aanlegde bovenop zijn ‘Unité d’Habitation’ in Marseille - een ‘verticaal dorp’ voor 1600 mensen. Sociale woningbouw, dus nauwelijks budget: in plaats van spectaculair beeldhouwwerk een wijds uitzicht op groene bergen en de blauwe zee, en in plaats van dure materialen gewoon beton en de allergoedkoopste tegeltjes voor een sportzaaltje en een hardrenbaan, een kleuterschooltje met pierenbad plus een reeks tafeltjes-met-bankjes-op-kleine-kinderen-maat, en voor de grotere mensen naast het spectaculaire uitzicht een mogelijkheid tot filmprojectie op een ’doek’ van beton, boven dakniveau opgetild via simpele betonnen treedjes, die ook dienst kunnen doen als tribune voor een voorstelling  in de schaduw van de als betonnen bomen verklede uitlaten van de luchtverversing. Een ontroerend ‘interieur-van-de-20ste-eeuw’ als jubelende hommage aan ‘mensen’. In Amsterdam bouwde tezelfdertijd Aldo van Eyck kinderspeelplekken op braakliggende terreintjes in volksbuurten; daar werd het dan toch nog ‘goed wonen’. Dat alles wordt nu als ‘vertrutting’ verguisd door de geuzen van onze tijd. Die pleinen bouwen met vloeren die bij vorst of regen levensgevaarlijk glad en nat zijn, en waarop kleuters en skaters en ouden-van-dagen hun knieën (en meer) openvallen; pleinen waarop banken als grafische streep in ‘t gelid, waar je enkel naast elkaar en niet tegenover elkaar kunt zitten; pleinen die vijf dagen per week leeg zijn als landingsbanen, waarop banken-als-fritessnijders de enige voorziening zijn. Dit alles onder het motto dat ‘bouwen voor mensen’ tuttig is, en dat ‘mensen moeten koloniseren’ - op de Maasvlakte kàn dat, en dáár gebeurt dat dan ook... Tegenover mijn appartementengebouw een als ‘park’ aangeduide groenvlakte met banken zonder rugleuning: “dan leg je de bezitters niet één dwingende zitpositie op”, aldus de ontwerper, die klachten van oudere bewoners als niet ter zake doende wegwuift; dit is immers ‘design van Dirk’... Ophangen moesten ze ze!

Het lijkt me een moeilijk vak, een ‘plek voor mensen’ te maken. Jezelf onzichtbaar. En dienstbaar. Kamiel heeft het, als beeldend kunstenaar, geprobeerd. En hij is al een heel eind gekomen. Ik ben benieuwd wat hij er bij een volgende keer van geleerd heeft.

 

© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 980427