Willem de Kooning in Cool
verschenen in: John Noteboom, Frank Taal (ed.). Witte de With so Cool.
Rotterdam, Artemis, 2006 ISBN 90-77075-26-7; pp 165-167
het boek wordt verspreid via onder andere Donner Boeken en Boekhandel Van Gennep
in Rotterdam (€ 24,90)
De schilder Willem de Kooning (1904-1997) was niet oorspronkelijk een ‘Cool’-er. Hij werd geboren in de Zaagmolenstraat - het toen nét nieuwe ‘Noorden’ van Rotterdam. Zijn moeder, bij wie hij na de scheiding van zijn ouders in 1907 woonde, verhuisde regelmatig naar steeds weer andere adressen, kris-kras door Rotterdam. Geruime tijd woonden ze in de Aert van Nesstraat bij de Coolvest. Een spannende plek in de stad. De Coolvest werd nét in die jaren gedempt en omgedoopt tot ‘Coolsingel’ – dát moest een moderne ‘city-boulevard’ worden. Daarom werd de ‘rosse buurt’ rond het Roode Zand gesloopt, om plaats te maken voor een nieuw stadhuis (1922), een nieuw postkantoor (1925), en een nieuwe beurs (1939). Op de kop van de singel kwam een glanzend koop-paleis: de ‘Bijenkorf’ van architect Willem Dudok (1930) langs wat toen nog ‘Schiedamsesingel’ heette – de plek van het huidige appartementencomplex op de hoek Schiedamsevest/Westblaak/ Schiedamsedijk.
Willem zat daar middenin. Op zijn 12e moest hij gaan meehelpen om voor het gezin van zijn moeder en haar nieuwe man de kost te verdienen. Hij kwam in 1916 als ‘jongen’ terecht in de werkplaats van de firma Gidding, ‘decoratieve kunstenaars’, gevestigd aan de overkant van de Aert van Nesstraat. Jaap Gidding zág veel in jonge Willem en zorgde ervoor dat hij in 1917 terecht kon op de avondcursus van de Academie van Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen, waarvan hij zelf bestuurslid was. De Academie was trouwens vlakbij: in een pand aan de Coolvest/Coolsingel, op de plek waar nu het WTC staat… Willem studeerde er vier jaar, tot 1921 – in de avond-uren, ná zijn werk bij Gidding. Zijn docent Heyberg leerde hem álle technieken en kneepjes van de traditionele schilderkunst. Heyberg zal zijn studenten vast wel aangespoord hebben eens een kijkje te nemen bij de Oude Meesters in de collectie van het Museum Boymans, toen gevestigd in het Schielandshuis, zo ongeveer bij de Academie om de hoek… Via meer modern denkende docenten als Jac. Jongert en Piet Zwart maakte Willem ook kennis met meer eigentijdse opvattingen over ‘kunst’: in plaats van schilderijtjes maken werkten zij liever aan commerciële opdrachten.
In 1920 stapte Willem – inmiddels 16 jaar oud – over van de firma Gidding naar Bernard Romein, een kunstenaar die ook als ‘art director’ en étaleur werkte voor het warenhuis Cohn & Donay aan de Korte Hoogstraat; dat was een familiebedrijf, dat aan het eind van de jaren twintig werd overgenomen door de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam HEMA, en inderdaad gevestigd op de plek waar die nu nog steeds is: pál in Willem’s territoir rond de Aert van Nesstraat en de Coolsingel. Willem werkte daar samen met zijn vriend Piet van den Oudenalder. Ze hadden elkaar leren kennen in de 3e klas van de Academie. Voor Cohn & Donay deden ze vooral belettering van de étalages: “We waren grandioze letterpikeurs”, herinnerde Piet zich naglunderend in een kranteninterview uit 1968.
Het zal geen vetpot zijn geweest: veel geld verdienden ze niet. Daarom woonden ze op een zolder van een huis bij de Schiedamsedijk. De buurt zag er toen nog heel anders uit. De Schiedamsedijk – tegenwoordig enkel bebouwd aan de Westzijde – had toen ook bebouwing aan de Oostkant. Die gebouwen grensden aan de achterkant aan de bebouwing aan de Leuvehaven… De ‘Leuvehaven W.Z.’ werd gedomineerd door het kolossale fabriekscomplex van Van Nelle. Op die plek had het tabakswinkeltje gestaan, dat Hendrica Brand na de dood van haar man Jan van Nelle in 1806 voortzette onder de naam ‘de Erven de Weduwe J. van Nelle'. Pas in 1930 verhuisde de firma naar haar nieuwe glazen fabriek voor ‘koffie, thee en tabak’ in de Spaanse Polder. Tot dat moment was het gebouw ‘De Rijzende Hoop’ de kern van het Van Nelle-complex, midden in de stad; het stond pal op de hoek van de smalle Karrensteeg die de doorgang vormde tussen de nog ongedempte Blaak en het Van Hogendorpsplein aan de achterzijde van het Schielandshuis (zie luchtfoto). In de jaren twintig verscheen bovenop het dak een van de allereerste bewegende lichtreclames. Bas Koster bericht dat Rotterdammers niet uitgekeken raakten op het wonder: een koffiekan helt sprongsgewijs voorover en schenkt koffie in een kop, waaruit, eveneens sprongsgewijs, een weldadige damp opstijgt. Uiterst modern! Dat gold ook alle andere Van Nelle-reclamedrukwerk en verpakkingen, die werden ontworpen door Jac. Jongert, een van Willem de Kooning’s docenten aan de Academie.
Willem moet die Van Nelle lichtreclame ook gezien hebben. Zoals gezegd: hij deelde met zijn vrienden een zolder van een huis bij de Schiedamsedijk, op de hoek van de Baan en de smalle Schildersteeg, tegenwoordig – veel breder dan toen – ‘Schilderstraat’. Tussen de Schiedamsedijk en de Baan waren nog veel meer van die smalle steegjes, met daaraan kleine, zompige woninkies. Er was veel vertier: veel kunstenaars, dichters en muzikanten woonden er, en ook dames van plezier. Ook het Leger des Heils was gevestigd aan de Dijk. Zo in de buurt van de havens (Leuvehaven, Wijnhaven, Scheepmakershaven, Zalmhaven en natuurlijk de Boompjes) kwamen er natuurlijk ook veel zeelieden. Als klein jongetje al had Willem langs de waterkant gezworven – later, als volwassen schilder, herinnerde hij zich zijn fascinatie voor de spiegeling van het zonlicht op het water in Rotterdam. Er woonden ook veel Joden; die hadden hun Synagoge aan de Boompjes. Al met al een buurtje met veel ‘buitenstaanders’ – ánders dan de gewone burgerman. Dát moet Willem de Kooning hebben aangetrokken – zélf beschouwde hij zich ook ‘anders dan de anderen’. Hij en zijn vrienden waren immers ‘kunstenaars’: nog geen cent te makken, maar wat gáf dat? Af en toe kregen ze wat te eten toegestopt door de kok van café-restaurant ‘Wolf’, pál naast de zolder van Willem en zijn vrienden: vanuit de keuken ging er dan een mandje aan een touw omhoog, herinnerde Piet van den Oudenalder zich. “O ja, bij ons op die zolder woonde ook nog Wimpie Klop. Die maakte heel mooie handelsschilderijen, maakwerk weet je wel. Zo’n tien per dag, maar hele mooie”. Willem zélf herinnerde zich die plek nog jaren nadien: ‘In Rotterdam had hij […] zijn zolderatelier, waarvan hij zich nu alleen nog herinnert dat het bij de Schiedamse dijk was […]’ (NN. ‘Van verstekeling tot multi-miljonair. Willem de Kooning (77), kunstschilder: “Rotterdam, mijn eigen geboortestad, negeert mijn schilderijen”. in: De Telegraaf [kleurenbijlage], [december 1981?]).
Willem de Kooning heeft tot rond 1924 daar aan de rand van ‘Cool’ gewoond. In 1924-1925 reist hij met zijn vrienden Wim Klop en Benno Randolfi naar België – eerst naar Antwerpen waar ze het Museum voor Schone Kunsten bezoeken, en vandaar door naar de musea van Brussel. Die reis was een soort repetitie voor de Grote Reis, waaraan De Kooning in augustus 1926 – 22 jaar jong – begon: als verstekeling op het stoomschip ‘Shelley’ vertrok hij naar Amerika, naar New York. Dáár werd hij – pas in de jaren veertig en vijftig – wereldberoemd, als een van de voormannen van het ‘Abstract Expressionisme’. Pas in september 1968 was hij voor het eerst weer terug in Rotterdam – één enkele dag. De stad was intussen onherkenbaar veranderd.
© Guus Vreeburg / Het OOG, Rotterdam; 051010