Zadkine
geschreven op verzoek van beeldend kunstenaar Gyz La Rivière/Rotterdam; november 2007
gepubliceerd in: Gyz La Rivière. Jan Hart. Rotterdam, Veenman Publishers, 2008; pp 16-19
Zadkine
daar staat-ie, Zadkine’s ‘La Ville Détruite’.
“O. Zadkine” staat er in kloeke letters op, en “1951”: ontstaan naar aanleiding van indrukken van de verwoeste stad van Zadkine op doorreis door Rotterdam vlak na de oorlog; “Susse Frères fondeurs Paris”: gemaakt in Parijs, maar terechtgekomen in Rotterdam.
in 1953 – onthuld op 15 mei toen – dertien jaren nadien...
geschonken door de directie van De Bijenkorf, staat op de stenen sokkel te lezen; die Heren waren op dat moment bezig een nieuwe Bijenkorf te laten bouwen door Marcel Breuer – een Duitser? groot gebaar! – nadat uit de vorige Bijenkorf – die van Dudok, nog pas uit 1930 – het hart was weggeslagen door de bommen van mei 1940 – díe Bijenkorf stond er in 1953 nog half – die werd pas afgebroken – heeft íemand er óóit over nagedacht haar te doen herbouwen? wellicht stond het karkas in het zicht van het ‘Venster op de rivier’ waarover ‘men’ in het gebombardeerde Rotterdam droomde - die ‘ouwe’ Bijenkorf dus werd pas afgebroken nadat in 1955 de nieuwe in gebruik was genomen…
zó ongeveer kwam Zadkine’s ‘La Ville Détruite’ – de verwoeste stad, a.k.a. Jan Gat – terecht op wat nu ‘Plein 1940’ heet; Zadkine had die plek aan de kop van de Leuvehaven naar het schijnt zelf uitgekozen...
en zó zie ik het beeld staan op een foto uit ongeveer 1970, uitkijkend over de Leuvehaven en omgeving – tóen nog volop in gebruik als centrum van de binnenvaart – de haven vól Rijnaken en parlevinkers – en inderdaad: de bedrijvigheid van de havens volop zichtbaar vanuit het nieuwe centrum van de stad – maar kijk: ‘De Buffel’ ligt er al, voorbode van de werk-haven die museum-haven geworden is, voorbode van het Maritiem Museum dat in de jaren tachtig verrees op de plek die vanaf 1953 ‘de plek van Jan Gat’ was geweest, en dat met zijn bulk het naoorlogse ‘Venster op de rivier’ in één klap dichtsloeg… vanaf de Coolsingel niet langer zicht op levende economie, levende haven, maar op een gemusealiseerde versie daarvan: een haven zonder sjouwen en zweet, maar een die perfect is afgestemd op de hedendaagse ‘funconemy’.
in 1975 is de Zadkine een stukje naar het Westen verplaatst, om te wijken voor metrowerkzaamheden, en in 1982 weer een stuk naar het Oosten, opgejaagd door dat Maritiem Museum: zo bevindt Zadkine’s dolende ‘Verwoeste stad’ zich in het gezelschap van Hendrick de Keyser’s Erasmus – nu voor de Laurenskerk – en van het monument voor Pieter Caland van Henri Evers en Simon Miedema – net als Erasmus ooit langs de Coolvest, maar nu aan de Veerhaven – en van de Gijsbert Karel van Hogendorp van Josef Geefs – aanvankelijk op, inderdaad, het Van Hogendorpsplein, alwéér bij de Coolvest, daarna monumentaal geplaatst tegen de zijwand van de buitentrap van Staal’s nieuwe Beurs, en nu schrijlings balancerend op een hoekje van de trappenwaterval daarvan; Zadkine’s beeld lijkt daarin ook op Rodin’s ‘L’homme qui marche’ – toen ik in de stad kwam stond dat beeld nog gewoon tussen ons in, het winkelend publiek op de Korte Lijnbaan, daarna meen ik nog een tijdje in de tuin van Boymans van Beuningen, en in het gras van de Westersingel bij het Eendrachtsplein, en nu alweer een paar jaar ingebed op het sculpturenterras een eindje verderop langs de Westersingel; en dan Zadkine’s verstilde Orpheus – laten we die ook niet vergeten – nú op de binnenplaats van Museum Boijmans Van Beuningen, vlak naast McCarthy’s Santa Claus – inderdaad: een hele verzameling ‘wandelende mannen’... en trouwens: de allegorische sculptuur van de Welvaart, dat in de eerste jaren van de Wederopbouw de bankburcht van de Twentsche Bank aan de Blaak sierde – in de volksmond heet ze ‘Mien met de mooie billen’... – ging aan de wandel naar de Coolsingel, toen na een reeks financiële fusies de ABN-AMRO was ontstaan...
het lijkt erop dat in Rotterdam beelden als deze, ook al hebben ze klassiek een sokkel, nooit zeker zijn van hun plekje; alsof ze altijd maar weer moeten wijken voor de dynamiek van steeds nieuwe ontwikkelingen.
maar goed: daar stáát de Zadkine, middenop het Plein 1940. het is een beetje een raar plein, zoals trouwens zoveel ‘pleinen’ in Rotterdam: niet een plein om echt op aan te komen, als centrum van grootsteeds gebeuren; niet echt een plein om een tijdje te verblijven en er tot rust te komen, kopje koffie, pilsje msschien. Plein 1940 ligt ietwat opzij van de bedrijvigheid, is – lijkt het – ook niet echt een bewust geplande ruimte, niet een zorgvuldig uitgewerkte stadse huiskamer; eerder een stukkie stad dat nog overschoot, naast de drukke straat (ís de Blaak nog wel een ‘straat’?), en tussen allerlei gebouwen die maar weinig met elkaar te maken schijnen te hebben... Het Plein ligt ook enigszins verhoogd in zijn omgeving, aan drie zijden moet je trappen op om er te komen, en aan de Zuidkant is er het water van de Leuvehaven: je komt er niet echt automatisch op terecht. alsof het Plein zelf één grote sokkel is, waarop de sokkel met dáár weer bovenop Zadkine’s beeld.
daar stáát het, en ik sta er op een herfstige tussen-de-middag naast. hoog torent het boven me uit, met afgetekend tegen de lucht zijn klauwende handen als die van de gestorven Gekruisigde van Matthias Grünewald; met zijn hoekig blokkige kuiten en machtige konussen als dijen – zóveel kracht – in een geweldige spagaat, met voeten die uiteengedraaid zich vastgrijpen aan de bodem; de gekliefde torso van het beeld boven dat onderstel een halve slag gedraaid, en ook de kop getordeerd en ook nog schuin omhoog gekanteld. een onmogelijke pose: probeer nooit, óók zo te gaan staan, je dondert gegarandeert omver. de huid van het beeld is overal ruwig, hier en daar gegroefd, je ziet de sporen van Zadkine’s spatel in het gipsen modello. en dan die kop, dat gezicht dat je eigenlijk niet goed kunt zien omdat Zadkine zich van ons afwendt. ik sta vlak bij het beeld, loop eronder rondomheen om dat gezicht toch maar goed te kunnen bekijken, contact te leggen – maar ik sta te dichtbij om goed te kunnen zien. als ik afstand neem heb ik wel overzicht, maar geen goed zicht op dat gezicht. een schreeuw, een kreet uit opengesperde mond – zoveel is duidelijk. maar hóe, of wát – dat kan ik niet horen. net zomin als me – ook nu weer niet – duidelijk wordt, wat nu eigenlijk het gebaar is van Zadkine’s Verwoeste Stad. Erasmus leest zijn wijze boek, Van Hogendorp zetelt onbewogen, Caland zelf ís er niet eens, is enkel in symbolen aanwezig, Rodin is vaart en snelheid, en Mien – ach, blote billen...
maar Zadkine? weren die handen de hemel af, of wat daaruit van boven valt? wordt-ie verpletterd, en is-ie – als Capa’s beroemde neergeschoten strijder – in vrije val? of duwen die klauwende armen juist de hemel omhoog en trappen die machtige dijen – Gianni Romme? – de aarde wég, en richt hij zich juist óp? ‘Verwoeste Stad’ – puinhoop, of Phoenix? het ‘Jan Gat’ uit de volksmond bekt dan misschien wel lekker, maar reduceert dit beeld, dit magnifieke kunstwerk, ook meteen tot maar één aspect. en dat terwijl de Zadkine zoveel méér is.
daar stáát de Zadkine. en terwijl ik naast hem sta, en rondloop, even op een bankje nog meer afstand neem, lopen er toch heus ook andere mensen over het Plein, in kleine plukjes, met grote tussenpozen. een juf met haar kinderen, een man met een vrouw achter zich aan, een fietser.
een jongeman. hij komt uit Brazilië, zegt-ie, en studeert in Parijs transport & sustainable development. hij heeft een weekje vacantie, houdt ervan sculpturen te bekijken en kent het beeld uit de tourist info. nee, ik weet het verhaal achter het beeld niet. vanuit de verte heeft het wel iets weg van Picasso. ik vind het wel mooi. en weg is hij.
een man en een vrouw. we komen van 50 kilometer hiervandaan, we lopen hier regelmatig langs. ja, ik ken het van school, het is toch die man zonder hart?, zegt de man. de vrouw: hij is zich aan het oprichten, dat zag ik gelijk toen ik aankwam, kijk maar naar die armen en handen. ja, zegt de man, “laat ’t ophouden”, er is iets van wanhoop. mooi? wat ís mooi? het is gewoon de expressie van de maker. nee, het stoort me niet.
twee dames, op lunchpauze. mooi hè!, spreekt de ene me aan – de andere zwijgt. nee, ik kom hier regelmatig langs maar ik heb er nooit op gelet. het raakt me niet, ik vind het vreemd, ik heb er geen herinneringen bij – ik ben ook niet hier geboren... dat is voor de eerste dame heel anders: zij vindt het spontaan ‘mooi, hè!’, symbolisch, ‘verwond’. ze is geboren in Hoogvliet maar opgegroeid in Spijkenisse. haar grootouders hebben het bombardement nog meegemaakt, maar nee, hoe of wat, daar werd eigenlijk nooit over gepraat... nee, anatomisch klopt er niks van dat beeld, maar dat geeft niet, van Rotterdam klopt anatomisch ook niks, kijk maar naar het Schielandshuis... het is een krachtig lichaam, uit zijn verband gerukt en zonder hart. hij zet zich schrap om te ontvangen, meent ze, om het bombardement op te vangen, of misschien wel te voorkomen – wie weet... onder haar oog hoor ik nu een traan. maar nu moeten we weer terug naar kantoor.
zoals alle bij goede kunst is er niet slechts één betekenis. en eigenlijk: er ís geen betekenis, er is alleen maar ‘teken’ – een veelduidig, meer-zinnig teken. laat Zadkine maar staan.